Diversen en Schedel

Skelet: beenderen van het hoofd

Skelet: beenderen van het hoofd

Het skelet. Iedereen heeft ermee te maken, de mens, zoogdieren, vogels, enkele vissoorten en enkele amfibiën. Maak kennis met het indrukwekkende skelet van de mens, welke is onderverdeeld in enkele artikelen omdat het artikel anders veel te ingewikkeld wordt, wanneer het in één enkel artikel geplaatst zal worden. Dit is het tweede deel van de serie van het menselijk skelet! Kom binnen in de wereld van de inwendige mens...


Bij de schedel (cranium) kan men twee gedeelten onderscheiden: de hersenschedel (neurocranium) en de aangezichtsschedel (viscerocranium).

Hersenschedel

De hersenschedel omsluit de ruimte waarin zich de hersenen bevinden en bestaat uit het schedeldak en de schedelbasis. De hersenschedel is opgebouwd uit de volgende beenderen:

Nederlandse naamLatijnse naambeschrijving
VoorhoofdsbeenOs Frontalemet aan weerszijden boven de neus een voorhoofdsholte (sinus frontalis), die in verbinding staat met de neusholte
wandbeenos parietaleMen beschikt over twee wandbeenderen
achterhoofdsbeenos occipitaleMet de acterhoofdsknobbels en het achterhoofdsgat (foramen magnum). De achterhoofdsknobbels bewegen bij het jaknikken over de gewrichtsvlakken van de atlas. Via het achterhoofdsgat staat de schedelholte in verbinding met het wervelkanaal
slaapbeenos temporaleMen beschikt over twee van deze beenderen. Het slaapbeen is opgebouwd uit de volgende onderdelen: de schelp, het tepelvormig uitsteeksel (processus mastoideus), het rotsbeen en het jukbooguitsteeksel.
zeefbeenos ethmoidaleOok wel etmoïd genoemd. Het zeefbeen bevat aan weerszijden vele kleine holten (etmoïdcellen) die samen de zeefbeenholte (sinus ethmoidalis) vormen. Iedere zeefbeenholte staat met de neusholte in verbinding. Het zeefbeen bestaat uit de volgende onderdelen: een horizontale zeefbeenplaat met talkrijke openingen waar de reukzenuw doorheen loopt. de zeefbeenplat heeft in het midden een kleine opstaande kam, twee zijdelingse delen aan iedere zijde, namelijk de bovenste en de middelste neusschelp (concha nasalis = neusschelp). Het onderste paar neusschelpen zit vast aan de bovenkaak. Een dunne vertikale plaat die samen met het ploegschaarbeen en het kraakbenig tussenschot, het neustussenschot (septum nasi) vormen.
Het wiggebeen.os sphenoidaleOok wel sfenoïd genoemd. Dit is een groot vlindervormig beenstuk dat als het ware een wig vormt tussen de overige schedelbeenderen. De laterale delen worden vleugels genoemd. In het midden bezit het wiggebeen een verhoging met daarin een uitholling, het zogenaamde Turkse Zadel. In de uitholling bevindt zich de hypofyse, een belangrijke hormoonklier. Ook het wiggebeen bezit een holte, de wiggebeensholte (sinus sphenoidalis) die met de neusholte in verbinding staat.

  • De schelp: Dit is een vlakke, lichtgebogen plaat waarin zich de inwendige gehooropening en een gedeelte van de uitwendige gehoorgang bevinden. Hij bevat bovendien de gewrichtskom voor de onderkaak.
  • Tepelvormig uitsteeksel: (processus mastoideus), meestal mastoïd genoemd. Het ligt onder en achter de oorschelp en bevat met lucht gevulde ruimten (mastoïdcellen) die in verbinding staan met het trommelholte van het gehoororgaan.
  • Rotsbeen: (pars petrosa; oude naam: os petrosum), dat naar binnen uitsteekt en waarin zich het inwendig gehoororgaan en het evenwichtsorgaan bevinden.
  • Jukbooguitsteeksel: Dit deel verbindt de schelp met het jukbeen, waardoor de jukboog ontstaat.

De beenderen van de hersenschedel zijn min of meer onbeweeglijk met elkaar verbonden door middel van naden (suturen): zigzag verlopende en in elkaar grijpende randen. Bekende naden zijn de pijlnaad (tussen de beide wandbeenderen) en de kroonnaad (tussen voorhoofdsbeen en de beide wandbeenderen). Het schedeldak wordt gevormd door het voorhoofdsbeen, de wandbeenderen, de slaapbeenderen en het achterhoofdsbeen. De schedelbasis bevat kleine openingen voor de passage van bloedvaten en zenuwen, en één grote opening: het achterhoofdsgat (foramen magnum). De schedelbasis wordt gevormd door het voorhoofdsbeen, de horizontale plaat van het zeefbeen, het wiggebeen, de rotsbeenderen en het achterhoofdsbeen.

De schedelbasis bestaat uit drie groeven:
  • De voorste schedelgroeve; deze ligt het hoogst en wordt gevormd door het voorhoofdsbeen, de zeefbeenplaat en het wiggebeen.
  • De middelste schedelgroeve; die wordt gevormd door het wiggebeen (met het Turkse Zadel) en de slaapbeenderen (met de rotsbeenderen).
  • De achterste schedelgroeve; Deze ligt het laagst en wordt gevormd door het achterhoofdsbeen en, gedeeltelijk, door de rotsbeenderen.

Aangezichtsschedel

De aangezichtsschedel, die bij de mens kleiner is dan de hersenschedel, bestaat uit de volgende beenderen:
Nederlandse benamingLatijnse benamingbeschrijving
BovenkaakmaxillaDeze is een vergroeiiing van twee beenstukken. Door middel van twee smalle uitsteeksels is de bovenkaak verbonden met het voorhoofdsbeen. Ook het onderste paar neusschelpen is met de bovenkaak verbonden. Het harde gehemelte bestaat voor het grootste deel uit een horizontaal deel van de bovenkaak. De rest van het harde gehemelte wordt gevormd door de beide gehemeltebeenderen. Aan weerszijden bevat het kraakbeen een kaakbeenholte (sinus maxillaris) die in verbinding staat met de neusholte. De kaakholte mondt uit boven in de middelste neusgang
OnderkaakmandibulaBij de geboorte zijn het linker- en rechterdeel van de onderkaak nog niet met elkaar vergroeid. De vergroeiing vindt plaats in he teerste levensjaar. De onderkaak bezit aan de achterzijde twee verticale uitsteeksels. Aan het voorste uitsteeksel is de slaapspier (een kauwspier) vastgehecht. Het achterste uitsteeksel (het kaakkopje) vormt met de gewrichtskom van het slaapbeen het kaakgewricht. In de gewrichtsholte bevindt zich een kleine kraakbeenschijf (discus) waardoor de holte in tweeën wordt gedeeld. Dit komt ten goede aan de bewegingsmogelijkheden van de onderkaak, het enige schedelbot dat bewogen kan worden
jukbeenderenos zygomaticumHet achterwaarts gerichte uitsteeksel van het jukbeen vormt samen met het slaapbeenuitsteeksel de jukboog. men beschikt over twee jukbeenderen
neusbeenos nasaleze vormen het harde (benige) deel van de neusrug. Men beschikt over twee neusbeenderen
traanbeenos lacrimaleZe liggen aan de binnenzijde van de oogkas, en bevatten ieder een traankanaal. men beschikt dus over twee traanbeenderen
ploegschaarbeenvomerhet ploegscharbeen, dat een deel is van het neustussenschot (septum nasi). Het is ee nvertigaal gesitueerd bot onder en in het verlengde van de verticale plaat van het zeefbeen. Door het neustussenschot wordt de neusholte in tweeën verdeeld. Door de aanwezigheid van de drie paar neusschelpen wordt iedere neusholte in vier ruimten onderverdeeld, namelijk de ruimte boven in de neusholte, waar zich het reukslijmvlies bevindt, en de drie neusgangen. Onder een neusgang verstaat men de ruimte onder een neusschelp
gehemeltebeenos palatinumDeze kleine met elkaar vergroeide beenstukken vormen het achterste deel van het harde (benige) gehemelte (palatum durum). Het voorste deel is een onderdeel van de bovenkaak. men beschikt over twee gehemeltebeenderen
Tongbeenos hyoideumDit bot is gelegen tussen de spieren achter en onder de tong. Het is niet meer met de andere botten van de aangezichtsschedel verbonden, maar wel met het schildkraakbeen van het strottenhoofd. Het tongbeen dient onder andere ter bevestiging van de tong.

De aangezichtsschedel heeft behalve een beschermende functie ook een steunfunctie, bijvoorbeeld ten aanzien van enkele belangrijke zintuigorganen zoals neus, ogen en mond. Er bevinden zich grote openingen in de aangezichtsschedel, die opgevuld zijn met spieren, vetweefsel en bindweefsel. Zo bevinden zich in de oogkas (orbita) de oogbol en de bijbehorende weefsels (oogspieren, oogzenuw, bloedvaten en steunvetweefsel). De wands van de oogkas omvat delen van de volgende botten: het voorhoofdsbeen, het wiggebeen, de bovenkaak, traanbeen, het zeefbeen en het jukbeen. In de schedelbeenderen rondom de neusholte bevinden zich de reeds genoemde neusbijholten, die in verbinding staan met de neusholte: de voorhoofdsholte, de zeefbeenholte, de wiggebeensholt en de bovenkaakholte.

Ontwikkeling van de schedel

De schedelbeenderen ontwikkelen zich op twee manieren. Bij de meeste beenderen is er sprake van directe botvorming vanuit het bindweefsel (periost). Daarom wordt deze vorm van verbening ook wel vliezige (desmale) verbening genoemd. Bij een aantal botten, zoals het wiggebeen en het zeefbeen, is er sprake van indirecte botvorming (enchondrale botvorming) zoals die ook optreedt bij de lengtegroei van pijpbeenderen. Hierbij wordt dus kraakbeen (chondros) vervangen door been.

Bij pasgeborenen zijn de schedelbeenderen slechts door bindweefselvliezen met elkaar verbonden. Er is dan ook sprake van "open" schedelnaden. De bij de geboorte nog niet verbeende plaatsen in het schedeldak, daar waar drie of meer schedelbeenderen samenkomen, worden fontanellen genoemd.
De grote fontanel is de "opening" (bindweefselgebied) tussen het voorhoofdsbeen en de beide wandbeenderen. Deze fontanel sluit als laatste in de eerste helft van het tweede levensjaar. De kleine fontanel is de "opening" tussen het achterhoofdsbeen en de beide wandbeenderen. De zijfontanellen zijn gepaarde fontanellen aan de laterale zijde van de hersenschedel.
© 2007 - 2009 Hikari, gepubliceerd in Diversen (Mens en Gezondheid) op 12-03-2007. Het auteursrecht van dit artikel ligt bij de infoteur. Zonder toestemming van Hikari is vermenigvuldiging van dit artikel verboden. Meer...

Verwante artikelen


Reageer op het artikel "Skelet: beenderen van het hoofd"


Er zijn nog geen reacties geplaatst op dit artikel.