Spier en Spierstelsel

Spierstelsel van de mens

Spierstelsel van de mens

De spieren. Samen met ons skelet helpen de spieren ons om overeind te blijven en ons voort te bewegen. Onze gehele houding vloeit voort uit de combinatie van spieren en botten/kraakbeen. Aangezien in een aantal artikelen het skelet al is behandeld, zal hier verder nog het spierstelsel van het menselijk lichaam behandeld worden.


Bouw en functie van de spieren

Het spierstelsel zorgt voor beweging en voortbeweging, voor fixatie van het lichaam (staan en zitten) en voor bescherming: ze vormen een deel van de lichaamswand. Het zijn namelijk ook bouwelementen van de borst- en buikwand. Bovendien zijn spieren een bron van warmteproductie.

Bouw en werking van een skeletspier
Iedere dwarsgestreepte spier bestaat uit een aantal spierbundels, elk omgeven door bindweefsel. Iedere spierbundel bevat spiercellen (spiervezels) met spierfibrillen (myofibrillen). Een spier is omgeven door een fascie: een stevig omhullend bindweefselvlies. Een pees (tendo) is een koordvormige bindweefselverbinding (een kabel met collagene vezels) tussen een spier en (meestal) een bot. Het is een voortzetting van de fascie. Een pees wordt omgeven door een, met synovia gevulde, bindweefselkoker waarin hij heen en weer kan glijden.

Bij plaatvormige spieren is er sprake van een peesplaat (aponeurose), een zeer brede platte pees. Bij iedere beweging werken meestal vele spieren samen: de zogenaamde synergisten, bijvoorbeeld alle buigspierne (Flexoren) van het bovenbeen. Doordat spieren zich alleen maar kunnen verkorten, moeten ze door hun antagnoisten ('tegenwerkers') worden verlengd. Zo zijn de strekspieren (extensoren) van het bovenbeen de antagonisen van de buigers.

Beide groepen spieren zijn dus bij bewegingen voortdurend werkzaam. Via impulsen uit het zenuwstelsel wordt ervoor gezorgd dat de bewegingen goed worden gecoördineerd.

Voor de spiercontractie zijn impulsen nodig die al dan niet zijn opgewekt in het centrale zenuwstelsel (hersenen en ruggenmerg). Spieren zijn dan ook altijd verbonden met zenuwen. Spieren kunnen ook tot contractie worden gebracht door elektrische stroom, mechanische, warmte-, koude-, of chemische prikkels. Het komt niet vaak voor dat een beweging tot stand komt door contractie van slechts één enkele spier. Bij spiercontractie onderscheidt men tonische en tetanische contracties. Onder een tonische contractie is er sprake van een "langdurig" aanhoudende contractie zonder tijdelijke verslapping. Zelfs rustende spieren zijn gedeeltelijk gecontraheerd. De spieren hebben hierdoor een zekere spanning: de spiertonus.

Bij de lichaamhoudingen en de gelaatsuitdrukking is de tonus belangrijk. Bij vermoeidheid wordt de tonus verlaagd. Op grond van de spiertonus en de spierverkorting onderscheidt men de volgende contracties:

  • Isotonische contracties: hierbij blijft de tonus in de spier gelijk, maar de lengte van de spier verandert, bijvoorbeeld bi jhet buigen van de arm in het ellebooggewricht;
  • Isometrische contracties: hierbij blijft de spierlengtee gelijk, maar de spanning in de spier neemt toe, bijvoorbeeld biuj een poging een te zwaar voorwerp op te tillen.
  • Auxotonische contracties: hierbij verkort de spier zich, terwijl de spanning toeneemt, bijvoorbeeld bij uitrekken van de armen met behulp van een veer.

In het menselijk lichaam komen zuiver isotonische contracties vrijwel niet voor. De meeste contracties zijn auxotonisch. De spieren van het menselijk lichaam kunnen worden onderscheiden in een drietal spiergroepen: hoofd- en halsspieren, rompwandspieren en extremiteitsspieren.

Hoofd- en halsspieren

Tot de spieren van het hoofd behoren de mimische spieren en de kauwspieren. De mimische spieren bevinden zich tussen de aangezichtsschedel en de huid. Ze worden geïnnerveerd door de nervus facialis (aangezichszenuw, hersenzenuw VII). Hiertoe behoren onder andere de spieren van de neus en de voorhoofdsspier. Ook de kringspieren rondom de mond en de ogen worden hiertoe gerekend. De kauwspieren dragen overigens eveneens bij aan de mimiek. De belangrijkste kauwspieren zijn de musculus masseter, de musculus temporalis en de musculus buccinator ('trompetterspier'). Deze laatste spier is zo genoemd omdat hij de mondhoek naar achter trekt, bijvoorbeeld bij het huilen en lachen. De trompetterspier vormt samen met de musculus masseter (tussen jukbeen en onderkaak) de wang.

De halsspieren bewegen het hoofd ten opzichte van de romp en zorgen voor fixatie van nek en hoofd in verschillende standen. Een bekende spier in dit verband is de musculus sternocleidomastoideus (borstbeen-sleutelbeen-tepelspier), ook wel de schuine halsspier genoemd. Wanneer de schuine halsspier zich samentrekt, neigt het hoofd naar dezelfde zijde, maar draait het teves naar de tegenovergestelde zijde. Deze spier heft dus de kin omhoog en draait hem naar de andere kant (scheve hals). De schuine halsspier doet tevens dienst als hulpademhalingsspier. De monnikskapspier (musculus trapezius) is ook betrokken bij het draaien en het rechtop houden van het hoofd.

Rompwandspieren

De rompwandspieren vormen een deel van de lichaamswand en begrenzen samen met de borstkas, de wervelkolom en het bekken de belangrijke lichaamsholten: de borstholte en de buik-bekkenholte. Bij rompwandspieren onderscheidt men op grond van het vezelverloop (de contractierichting) de volgende drie systemen:
  • Het longitudinaal systeem: de vezels lopen in de lengterichting tussen het hoofd en het bekken. Aan de dorsale zijde behoren hiertoe de diepe rugspieren en aan de ventrale zijde een aantal halsspieren en de rechte buikspieren. De halsspieren en de rechte buikspieren zijn onderbroken door het borstbeen.
  • Schuine systemen: de vezels hebben een schuin verloop. In het borstgebied behoren hiertoe de buitenste (uitwendige) en binnenste (inwendige) tussenribspierenen in het buikgebied de buitenste en de binnenste schuine buikspieren.
  • Het dwarse systeem: de vezels lopen transversaal (dwars). Dit systeem komt uitsluitend voor in het buikgebied, namelijk bij de dwarse buikspieren.

De rompwandspieren worden ingedeeld in borstwandspieren, buikwandspieren, rugspieren en de spieren van middenrif en bekkenbodem.

Borstwandspieren
De borstwandspieren worden hoofdzakelijk gevormd door de tussenribspieren. Deze spieren (in totaal 11 paar) vervullen naast hun begrenzende taak een belangrijke rol bij de ademhaling. Ze liggen telksens tussen twee ribben in en lopen van de onderzijde van de bovenste rib naar de bovenzijde van de onderste rib. Op grond van het vezelverloop onderscheidt men twee schuine systemen die elkaar loodrecht kruisen:
de buitenste tussenribspieren (musculi intercostales externi) en de binnenste tussenribspieren (musculi intercostales interni). DDe buitenste (uitwendige) tussenribspieren lopen tussen de ribben schuin naar voor/onder en zorgen voor inademing. De binnenste (inwendige) tussenribspieren hebben een verloop naar achter/onder. Ze doen dienst als uitademingsspieren.

Bij krachtig uitademen zorgen ze er namelijk voor dat de ribben naar beneden worden getrokken zodat de borstholte wordt verkleind. In dit verband dient opgemerkt te worden dat uitademen meestal grotendeels een passief proces is!

Buikwandspieren
De buikwandspieren kunnen worden ingedeeld op grond van de drie voorgenoemde systemen:
longitudinaal systeemde rechter buikspier (musculus rectus abdominis) links en rechts. Deze spier loopt van het sternum en de onderste ribben naar het schaambeen en de symfyse. De spier bezit drie tot vier tussenpezen zodat er sprake is van een meerbuikige buikspier. De functie bestaat in het vooroverbuigen van de romp. De rechte buikspieren worden omgeven door de rectusschede
Schuine systemenDe buitenste schuine buikspier (musculus obliquus externus abdominis) en de binnenste buikspier (musculus obliquus internus abdominis). De vezels van de buitenste schuine buikspier hebben een verloop zoals de benen van de letter V. De vezels lopen dus van craniolateraal (boven/opzij) naar caudomediaal (onder/midden). De vezels van de binnenste schuine buikspier hebben een verloop als de benen van de letter A, dus van craniomediaal (boven/midden) naar caudolateraal (onder/opzij). De vezels van beide schuine buikspieren kruisen elkaar vrijwel loodrecht. De schuine buikspieren zorgen voor het buigen en draaien van de wervelkolom, terwijl ze eveneens druk uitoefenen op de buikingewanden
dwarse systeemde dwarse buikspier (musculus transversus abdominis). Deze buikspier ligt aan de binnenzijde van de schuine buikspieren. Met name deze spier oefent druk uit op de buikingewanden.

Aan de ventrale zijde van de buik ontbreekt een benige bevestigingsmogelijkheid. Derhalve zijn de meeste buikspieren bevestigd aan de rectusschede, die wordt gevormd door de peesplaten (aponeurosen) van de schuine en dwarse buikspieren. In het midden van de rectusschede bevindt zich de linea alba (witte lijn). Dit is een witte strook van bindweefsel, ontstaan door vervlechting van collagene vezels van het linker en rechter gedeelte van de rectusschede. De navel (umbilicus) is een opening in de linea alba.

De onderrand van de peesplat van de buitenste schuine buikspier wordt liesband (ligamentum inguinale) genoemd,soms ook nog aangeduid met de oude naam ligament van Poupart. De liesband loopt van boven/voorzijde naar het darmbeen (ilium) naar het schaambeen (os pubis). Het vormt een belangrijk deel van de wand van het lieskanaal (canalis inguinalis). Bij de man loopt het lieskanaal van de buikholte naar het scrotum en bevat de zaadstreng, waarvan de zaadleider een belangrijk onderdeel is. Bij de vrouw lopen door het lieskanaal de ronde baarmoederband (ligamentum teres) en lymfevaten. Het lieskanaal einidgt hier in de grote schaamlip.

De buikwandspieren hebben een veelzijdige functie. Ze vormen een bescherming voor de buikorganen, zorgen voor het buigen en draaien van de romp, spelen een belangrijke rol bij de buikademhaling en zijn van grote betekenis voor de buikpers. De buikpers speelt een rol bij defecatie, urinelozing, baring, niezen, hoesten, blazen en braken.

Rugspieren
De rugspieren zijn opgebouwd uit een groot aantal afzonderlijke systemen die bevestigd zijn aan een aantal delen van het skelet, zoals het achterhoofdsbeen, wervels, ribben, het heiligbeen en het darmbeen.
Bij de rugspieren kan men in principe twee soorten onderscheiden, namelijk de lange en de korte rugspieren.
De lange ruspieren liggen diep en zorgen vooral voor het strekken van de rug.
De dpiee rugspieren zijn voobreelden van dit type. De korte rugspieren bevinden zich o.a. tussen de uitsteeksels van twee opeenvolgende wervels, bijvoorbeeld nekspieren.
De rugspieren zorgen voor beweging en fixatie van de wervelkolom en het hoofd.

N.B. De brede rugspier wordt op grond van zijn functie gerekend tot de extremiteitsspieren.

Middenrif
Het middenrif (diaphragma) is een gespierde koepelvormige scheidingswand tussen borst- en buikholte. In ontspannen toestand bezit het middenrif twee welvingen aan de bovenzijde. Het middenrif bezit aan de bovenzijde een centrale peesplaat (centrum tendineum) met één doorgang, namelijk voor de onderste holle ader. Aan de dorsale zijde bevinden zich in het gespierde gedeelte de doorgangen voor de slokdarm (oesophagus) en de aorta.

Bij contractie van de diafragmaspieren (inademing) wordt de borstholte vergroot doordat de peesplaat omlaag owrdt getrokken. Het middenrif speelt dus een belangrijke rol bij de ademhaling.

Bekkenbodem
De bekkenbodem bestaat uit een groep spieren in het verlengde van de benige structuur van het bekken, waardoor de buik-bekkenholte aan de onderzijde wordt afgesloten. De belangrijkste spier van het bekkenbodem is de musculus levator ani (de anusopheffer). Deze spier vormt als het ware een trechter tussen de schaambeenderen en het staartbeen. De anus bestaat uit twee sluitspieren (sfincters): een uitwendige sluitspier (willekuerige spier) en een inwednige sluitspier (onwillekeurige spier). De bekkenbodem heeft bij de man twee doorgangen, de anus en de urethra, bij de vrouw zijn er drie doorgangen: anus, urethra en vagina.

Extremiteitsspieren

De extremiteitsspieren worden ingedeeld in spieren van de schoudergordel, armspieren, spieren van de bekkengordel en spieren van de been (beenspieren).

Spieren van de schoudergordel
De belangrijkste spieren van de schoudergordel zijn de grote borstspier, de monnikskapspier, de deltaspier en de brede rugspier.

De grote borstspier (musculus pectoralis major) bedekt in belangrijke mate de borstwand. Deze spier zit enerzijds vast aan borstbeen, sleutelbeen en ribkraakbeen en anderzijds aan het opperarmbeen. Hij zorgt voor adductie, endorotatie en voorwaartse heffing van de arm en is tevens een hulpademhalingsspier.

De monnikskapsiper (musculus trapezius) is een trapeziumvormige spier die de schouder en de nek bedekt. Bij deze spier staat de statische functie op de voorgrond. Hij zorgt voor de beweging van schouderblad en sleutelbeen. Hij is ook betrokken bij het draaien en het rechtophouden van het hoofd.

De deltaspier (musculus deltoideus) is een brede, platte, driehoekige spier op de schouder. Hij verbindt sleutelbeen en schouderblad met het opperarmbeen en zorgt o.a. voor het zijdelings bewegen (abductie) van de arm.

De brede rugspier (musculus latissimus dorsi) is de grootste driehoekige spier van het lichaam. Deze spier is enerzijds verbonden met de bovenkant van het bekken, met de doornuitsteeksels van een groot aantal borstwervels en met de onderste ribben en anderzijds met het opperarmbeen. Deze spier zorgt voor adductie, het naar achteren bewegen en endorotatie van de arm. Het is tevens een hulpademhalingsspier.

Armspieren
Bij de armspieren onderscheidt men buigspieren (flexoreN) en strekspieren (extensoren), zowel in bovenarm als in de onderarm. Een bekend voorbeeld van een buigspier is de biceps (musculus biceps brachii) aan de voorzijde van de bovenarm. Deze tweehoofdige armspier is met twee koppen vastgehecht aan het schouderblad. Aan de andere zijde is hij verbonden met het spaakbeen. De biceps buigt in het ellebooggewricht de onderarm ten opzichte van de bovenarm. Een bekend voorbeeld van een strekspier is de triceps (musculus triceps brachii) aan de achterzijde van de bovenarm. Het is een driehoofdige spier die met drie koppen is vastgehecht aa nschouderblad en opperarmbeen. Aan de andere zijde is de spier met een gemeenschappelijke pees vastgehecht aan het ellepijpshoofd (olecranon). Deze spier zorgt voor het strekken van de onderarm ten opzichte van de bovenarm.

De biceps en de triceps zijn ten opzichte van elkaar antagonisten.

In de onderarm bevinden zich vele buigers en strekers die met lange pezen en peesscheden onder een band van de opls doorlopen. Deze spieren zorgen voor de vele bewegingspatronen van de hand met de vingers (buigen en strekken). De buigers liggen aan de voorzijde van de arm, de strekkers aan de achterzijde.
© 2007 - 2008 Hikari, gepubliceerd in Diversen (Mens en Gezondheid) op 14-03-2007. Het auteursrecht van dit artikel ligt bij de infoteur. Zonder toestemming van Hikari is vermenigvuldiging van dit artikel verboden. Meer...

Verwante artikelen


Reageer op het artikel "Spierstelsel van de mens"


Door Peter Broekmans op 17-09-2008

Ik zocht nar informatie over de sattorispier die blijkbaar over je bil loopt en dan langs de binnenkant van je been. Zijn er ergens plaatjes te zien van de loop van de spieren?

Door Pim klaver op 07-02-2008

Hallo, ik zit net mijn boeken te bestuderen over fysiotherapie / sportmassage. Staat een defenitie van isotonische spiercontractie die luid: zowel de lengte als de spanning van de spier blijven gelijk komt alleen voor bij laboratoriumomstandigheden.

En hierboven op deze site staat:
hierbij blijft de tonus in de spier gelijk, maar de lengte van de spier verandert, bijvoorbeeld bij het buigen van de arm in het ellebooggewricht.

Wat is waar?

En vraag twee is :
Is Auxotonische contracties hetzelfde als dynamische spiercontracties

Dank u voor uw hulp.
Groeten, Pim Klaver

Door Guy bossyns op 25-11-2007

Verwante art vind ik zeer goed, vooral houding en beweging :-)