Aids en Hiv

AIDS, Acquired Immune Deficiency Syndrome

AIDS, Acquired Immune Deficiency Syndrome

Hoewel vrijwel iedereen van de ziekte AIDS heeft gehoord, bestaan er bij veel mensen nog onduidelijkheden en verkeerde denkbeelden over dit ziektebeeld.


Geschiedenis.

In 1981 werd in Amerika voor het eerst een ziekte ontdekt die op onverklaarbare wijze het menselijke immuunsysteem (afweersysteem) aantastte. De ziekte werd Acquired Immune Deficiency Syndrome genoemd (vrij vertaald; het syndroom van de verkregen afweerstoornis), afgekort AIDS.
Een jaar later werd het eerste Nederlandse ziektegeval ontdekt.
De aandoening verspreidde zich snel, deed zich in het begin vooral voor bij mannen met homoseksuele contacten en was zonder uitzondering op korte termijn dodelijk.
In 1983 werd de ziekteverwerkker geïsoleerd. Een virus dat Human Immunodeficiency Virus, kortweg HIV, werd genoemd.

HIV.

HIV heeft zich waarschijnlijk pas sinds kort aan de mens aangepast. Het kwam voorheen al voor bij dieren. Enkele tientallen jaren geleden zou het virus in Afrika overgestapt zijn van het dier naar de mens.
Er bestaat een tweetal hoofdstammen van het virus, HIV-1 en HIV-2. Beide stammen zijn weer onder verdeeld in subgroepen.
Het virus is bovendien in staat om van tijd tot tijd te veranderen. Mede hierdoor is het tot nu toe nog niet gelukt om een vaccin tegen HIV te ontwikkelen.

Besmettingsrisico.

Inmiddels is bij de meeste mensen bekend dat het HIV vooral overgebracht wordt door bloed-bloed en bloed-sperma-contact. Iedere keer wanneer een dergelijk contact plaatsvindt waarbij een van de personen besmet is, is er kans op een besmetting. Dit risico wordt natuurlijk groter naarmate risicovol contact vaker plaatsvindt. Maar ook een eenmalig contact kan fataal zijn.

Gelukkig is het HIV niet erg besmettelijk. De kans op een infectie als men zich prikt aan een besmette naald, of als men besmet bloed of sperma op een wondje krijgt,is kleiner dan 0.5%. De geringe besmetterlijkheid van HIV blijkt ook uit het feit dat het virus weliswaar aanwezig is in speeksel en zweet, maar dat, voor zover bekend, nog nooit iemand hierdoor geïnfecteerd is. Hiervoor zijn de concentraties van het virus te klein.
Gewoon sociaal contact met mensen die met het HIV besmet zijn, is zonde rmeer veilig. Aanraken, zoenen, gemeenschappelijk gebruik van een toilet, douche of keuken, aanhoesten of handen gevan kan allemaal zonder enig risico.

Welke handelingen wel risicovol zijn? Onveilig vrijen (onbeschermd vaginaal en anaal seksueel contact en technieken waarbij sperma in de mond komt), terwijl ten minste één van de partners het virus bij zich draagt.
Ook is het onzorgvuldig omgaan met besmette injectienaalden (zich hieraan prikken) en met lichaamsvloeistoffen (bloed of sperma in wondjes krijgen) risicovol. Bovendien kan het virus van moeder op kind worden overgedragen.
Dit kan tijdens de zwangerschap gebeuren via de placenta (moederkoek), tijdens de bevalling via bloed-bloedcontact, of bij het zogen via de moedermelk.

Uit deze opsomming van risicovolle handelingen blijkt dat het niets uitmaakt of men hetero- of homoseksueel is. Besmetting met het HIV kan bij iedereen optreden die de genoemde risico's niet vermijdt. Daarom kan men beter spreken van risicovolle handelingen dan van risicogroepen.
In het ziekenhuis is de kans op besmetting met HIV minimaal wanneer de gewone hygiënische maatregelen in acht worden genomen die gelden voor de omgang met besmette naalden, handschoenen gebruiken bij contact met lichaamsvloeistoffen, wondjes zo snel mogelijk afdekken en verontreinigde oppervlakken met alcohol 70% schoonmaken.

Besmetting.

Als het HIV virus het lichaam is binnengedrongen, nestelt het zich in de zogenaamde CD4-lymfocyten, die een sleutelrol spelen in het menselijk afweersysteem. Na korte of langere tijd wordt de lymfocyt door het virus zodanig aangetast, dat deze slecht gaat functioneren. Ook wordt de aanmaak van nieuwe CD4-lymfocyten geblokkeerd. Zo wordt het afweersysteem meer en meer aangetast. Hierdoor ontstaat er een steeds grotere gevoeligheid voor allerlei infectieziekten die het lichaam normaal gesproken de baas zou kunnen.
Het virus kan ook bepaalde cellen van het centrale zenuwstelsel aantasten en zo een directe infectie van de hersenen veroorzaken.

Binnen zes weken na de besmetting kan de patiënt klachten krijgen zoals koorts, spierpijn, keelpijn, lymfeklierzwelling en moeheid.
Doordat deze klachten vaak heel gering zijn, wordt hier vaak aan voorbij gegaan. In dit acute stadium reageert het lichaam met de vorming van antilichamen tegen het virus. Deze zijn met een aids-test (laboratoriumtest) aan te tonen. Omdat deze antistoffen soms pas na drie tot zes maanden gevormd worden, kan in de praktijk pas zes maanden na een risicovolle handeling met zekerheid gezegd worden of iemand ook daadwerkelijk besmet is.
Als antilichamen aangetoond kunnen worden, is de patiënt seropositief.
De patiënt kan echter wel vanaf het moment van besmetting het virus op anderen overdragen. Dus ook wanneer hij nog seronegatief is, als dus nog niet bekend is dat hij besmet is.
Is iemand eenmaal seropositief, dan betekent het nog niet dat de patiënt dus aids heeft. Na de acute fase (die niet altijd wordt opgemerkt) treedt een periode op zonder klachten. deze periode kan variëren van enkele maanden tot vele jaren. De patiënt is symptoomloos drager, maar blijft seropositief. De gevormde antilichamen blijken niet in staat het virus afdoende te bestrijden. Aangenomen wordt dat het virus levenslang aanwezig blijft.

Bij ongeveer de helft van de patiénten treedt binnen tien jaar na de besmetting het syndroom op dat we AIDS noemen.
Voordat deze diagnose gesteld mag worden, moet aan een aantal criteria worden voldaan. De patiënt moet seropositief zijn en minstens één van de aids-indicatorzoekten hebben. De meest voorkomende hiervan zijn:

Het HIV-Wasting syndroom:dit is onvrijwillig gewichtsverlies van meer dan 10% met óf chronische diarree óf zwakte en koorts (allemaal langer dan dertig dagen) zonder dat daarvoor een andere verklaring dan de aangetoonde HIV-infectie is te geven.
Allerlei infecties die een gezond mens niet zomaar krijgt. Ook wel gelegenheidsinfecties genoemd, zoals longontsteking ten gevolge van Pneumocystis carinii-pneumonie (PCP, een zeldzaam voorkomende veroorzaker van longontsteking) of Candida-oesophagitis (schimmelinfectie van de slokdarm).
Bijzondere soorten kankerzoals het Kaposi-sarcoom (zeldzame huidkanker).

Nadat de diagnose gesteld is, maakt de patiént afwisselend perioden door waarin het redelijk goed gaat en perioden waarin hij ernstig ziek is en steeds meer moet inleveren. Met de huidige behandelingsmogelijkheden komen de perioden waarin het goed gaat vaker voor en duren ze langer. In het geheel gezien gaat de patiént toch steeds verder achteruit. Nogal eens ontstaan mensonterende toestanden, die des te pijnlijker kunnen zijn omdat het vaak relatief jonge patiénten betreft.
Uiteindelijk gaat de patiént onherroepelijk dood. Niet aan het HIV op zich, maar aan de bijkomende ziekten waartegen hij niet meer voldoende afweer heeft.
Op dit moment is nog niet te voorspellen of de ziekte zich wel of niet zal ontwikkelen bij iemand die seropositief is. Het blijkt inmiddels dat nog vele jaren na het seropositief worden de ziekte kan uitbreken. Men weet niet hoe lang deze periode kan zijn, of dat het misschien zelfs levenslang mogelijk blijft om alsnog aids te ontwikkelen. Onbekend is ook nog waarom het virus bij de een wel en bij de ander niet actief wordt en waarom dat soms kort en soms veel langer duurt.

Behandelingen.

Wereldwijd vinden onderzoeken plaats naar nieuwe geneesmiddelen om AIDS te genezen. Tot nu toe heeft dat nog niet geleid tot een afdoende behandeling. AIDS is simpelweg nog niet te genezen. De onderzoeken hebben wel al geleid tot een beter inzicht in het gedrag van het virus in het lichaam. Met deze kennis zijn medicijnen ontwikkeld die de levensverwachting van aids-patiënten aanmerkelijk vergroten en de kwaliteit van het leven verbeteren.
De behandeling van aids gebeurt op dit moment door het toedienen van (diverse) medicijnen. Hierbij worden twee hoofddoelen onderscheiden: het bestrijden van enerzijds de HIV-infectie en anderzijds de gelegenheidsinfecties.
De anti-HIV-middelen kunnen helpen voorkomen dat nieuwe cellen in het lichaam geinfecteerd worden of ze blokkeren de virusproductie in al geinfecteerde cellen. een combinatie van beide soorten anti-HIV-medicijnen blijkt het beste effect te sorteren.
Onduidelijk is nog hoe de combinatie er precies uit moet zien, dit wordt nog onderzocht.
NIet alleen patiënten die al aids hebben, worden met deze middelen behandeld, ook seropositieven zonder symptomen gebruiken ze.
Onderzocht wordt of hiermee het ontstaan van aids vertraagd wordt of welfs voorkomen kan worden. Tot nu toe worden hiermee opvallend goede resultaten bereikt.
Toch zijn er ook vele negatieve aspecten aan verbonden, zoals de vele en soms ernstige bijwerkingen van de medicijnen (zoals misselijkheid, diarree, moeheid, hoofdpijn en smaakstoornissen). Bovendien is onbekend wat de effecten en bijwerkingen op lange termijn zullen zijn. Daarnaast vraagt de behandeling een grote therapietrouw.
Per dag moeten meer dan dertig pillen geslikt worden op diverse, soms nauwkeurig aan te houden momenten.
Op dit moment wordt een benadeling met anti-HIV-middelen aanbevolen bij aidspatiënten en bij seropositieven waarbij uit bloedonderzoek blijkt dat het met de afweer zeer slecht gesteld is (o.a. een zeer laag aantal CD4-cellen).
Het bestrijden van gelegenehdisinfecties is het tweede behandelingsdoel. Ook hierbij wordt gebruik gemaakt van medicijnen, met name antibiotica. Deze zijn in staat om optredende infecties te bestrijden, maar door het falende afweersysteem zullen steeds opnieuw infecties de kop op steken.
Zowel door deze opeenvolgende infecties als door de behandelingen daarvan zal de patiënt steeds verder verzwakken.

De enige afdoende remedie tegen aids is preventie, dus het voorkomen van besmetting met HIV. Goede voorlichting staat daarbij centraal. Omdat het om een relatief weinig besmettelijke aandoening gaat, die met eenvoudige middelen te voorkomen is, mag van preventieve maatregelen veel verwacht worden.
In aids-campagnes die wereldwijd worden gevoerd, wordt vooral het veilig vrijen benadrukt, met name door het gebruik van condooms. Bij de mannen met homoseksuele contacten neemt het aantal nieuwe aidspatiënten inmiddels flink af.
De intraveneuze drugsgebruikers zijn moeilijker te benaderen voor voorlichting, terwijl juist vanuit deze groep besmetting via heteroseksueel contact optreedt. Door het gratis versrekken van schone spuiten wordt geprobeerd de besmettingsrisico's te verkleinen.
Eerder is al beschreven dat in het ziekenhuis een goede algemene hygiëne van groot belang is bij het voorkomen van verdere verspreiding van de ziekte.

AIDS-tests.

Tot voor kort was het niet mogelijk om het aids-virus zelf aan te tonen. De aids-tests die nu nog steeds het meest worden gebruikt, tonen aan of er antilichamen tegen het virus in het bloed voorkomen. Omdat iedereen die besmet is deze antilichamen uiteindelijk ontwikkelt, is het aantonen hiervan in principe ook voldoende.
In Nederland worden twee tests gebruikt. De ene, ELISA genoemd, is bedoeld voor de toepassing op grote schaal. Bij een positieve uitslag (als antilichamen tegen HIV zijn gevonden) wordt de andere test, de zogenaamde Westernblot, uitgevoerd om de uitslag van ELISA te bevestigen.
De aids-test valt dus pas positief uit als na de ELISA ook de tweede test antilichamen tegen aids aantoont.
Zoals eerder beschreven zijn deze tests pas betrouwbaar zes maanden na een risicovol contact. Dit betekent ook dat er pas na zes maanden én beide tests zekerheid kan zijn dat er géén infectie is opgetreden.
Sinds enige tijd is het mogelijk om de aanwezigheid van HIV in het bloed aan te tonen.
Deze test wordt vooral gebruikt om het effect van een behandeling te meten: hoe minder virus, des te beter de therapie is aangeslagen.
Rond het testbeleid is in Nederland een uitgebreide discussie ontstaan. mag een werkgever een nieuwe werknemer testen op aids? Hij moet per slot van rekening betalen als een werknemer op de Ziektewet of de WAO moet terugvallen.
En mogen voor het afsluiten van verzekeringen tests geëist worden? AIDS-patiënten drukken natuurlijk nogal zwaar op verzerkeringsgelden.
Is het reëel om patiënten in instellingen te testen? Op die manier kunnen hulpverleners weten welke risico's zij lopen. Mag er ongevraagd getest worden om het testbeleid te vergemakkelijken?
Er zijn niet alleen argumenten voor het testen te bedenken. Er kleven tegelijkertijd nogal wat nadelen aan. Hoe belastend is het om nog voor het optreden van ziekteverschijnselen te weten dat men besmet is met HIV? Bovendien leert de ervaring dat de omgeving van seropositieven nogal eens terughoudend of afwijzend reageert en op diverse manieren afstand van deze mensen neemt.

Omdat het seropositief-zijn tot voor kort weinig of geen gevolgen had voor de behandeling, werd meestal een terughoudend beleid gevoerd inzake het testen op aids. Daarin is nu verandering gekomen: de nieuwe medicijnen lijken een vroege behandeling zinvol te maken. Dit betekent dat mensen die besmet zijn, in een zo vroeg mogelijk stadium herkend en behandeld zouden moeten worden.

Toch lijkt een screening van grote delen van de bevolking niet zinvol. Momenteel is gekozen voor voorlichting aan specifieke groepen: homoseksuele mannen, (voormalige) drugsgebruikers en personen die voor 1985 veel bloedproducten hebben ontvangen.
Een test wordt meestal pas uitgevoerd als men er zelf om vraagt omdat mogelijk een risicovolle handeling heeft plaatsgevonden.

Beleid bij prikaccidenten.

Een van de risicovolle handelingen is een prikaccident. In het ziekenhuis kan dit optreden doordat een medewerker zich prikt aan een naald waarmee eerst een (besmette) patiënt is geinjecteerd. De nieuwe behandelingsmogelijkheden hebben ook invloed op het beleid hierbij. Aangeraden wordt nu om na een prkaccident met een naald met bewezen HIV-positief bloed bij voorkeur binnen twee uur en uiterlijk binnen 36 uur na het incident te beginnen met een combinatietherapie met twee of drie antiretrovirale middelen gedurende vier weken.
© 2007 - 2008 Hikari, gepubliceerd in Ziekten (Mens en Gezondheid) op 13-01-2007. Het auteursrecht van dit artikel ligt bij de infoteur. Zonder toestemming van Hikari is vermenigvuldiging van dit artikel verboden. Meer...

Verwante artikelen


Reageer op het artikel "AIDS, Acquired Immune Deficiency Syndrome"


Er zijn nog geen reacties geplaatst op dit artikel.