Slaapproblemen bij kinderen

Dit artikel gaat over de problematiek van slaapproblemen met als gerelateerde stoornis, kinderinsomnia. In hoofdstuk 1 gaat het over de verschillende soorten slaapproblemen. In hoofdstuk 2 wordt ingegaan op adviezen met betrekking tot slaapproblemen. In hoofdstuk 3 wordt de stoornis insomnia voor kinderen besproken. En in hoofdstuk 4 wordt gekeken waar het slaapprobleem een voorspelling voor kan zijn.

Slaapproblemen


Inleiding

”Wat te doen tegen een nachtelijk 'feestbeest' van 2 jaar? Wij hebben een dochtertje van 2 jaar die 's nachts ontzettend kan feesten. Hiermee bedoel ik springen, gillen, zingen, praten en noem maar op. Dit doet ze al bijna een jaar lang, meestal begint ze om 24.00 uur en houdt pas op om ongeveer 4.30 uur”, zo vertelt een hulpeloze moeder. Een andere moeder vertelt: “Sinds de verhuizing naar haar nieuwe slaapkamer is onze dochter een slechte slaapster. Wij hebben een dochter van 3 jaar die sinds 6 weken op een nieuwe kamer slaapt op zolder, omdat er binnenkort een baby bijkomt. Sinds ze op de nieuwe kamer slaapt, wordt zij regelmatig wakker en is dan in paniek (Ouders van Nu, 2004).”

Deze twee moeders hebben iets gemeen, ze hebben beiden een kind met een slaapprobleem. Ze weten beiden niet goed wat ze met de situatie aanmoeten. Maar uit onderzoek blijkt dat van de kinderen van twee tot vijftien jaar 32% praat in de slaap, 31% nachtmerries heeft, 28% ’s nachts wakker wordt en 23% moeilijk in slaap valt (Mindell, 1993). Dus is het wel een probleem?

1. Slaapproblemen bij peuters en kleuters

Of er wel of geen sprake is van een probleem is niet zo makkelijk te bepalen. Wanneer de één bepaald gedrag ziet als een probleem kan de ander dit gedrag juist als positief ervaren. Dit heeft volgens Van de Ploeg (1998) te maken met de verschillende normen en waarden die verschillende personen er op na houden. Of er dus in een bepaalde situatie sprake is van een probleem is subjectief gekleurd.

Ditzelfde geldt vaak ook voor het slaapgedrag van kinderen. Ouders kunnen een onregelmatig slaappatroon van het kind al snel zien als een probleem, ook wanneer dit slechts een enkele keer voorkomt. Daarom is het van belang om bij gedrag wat problematisch dreigt te worden te kijken naar verschillende aspecten.

Vanuit de wetenschap zijn er verschillende aanwijzingen of bepaald gedrag zou kunnen leiden tot een probleem. Naast inhoudelijke aanwijzingen als onaangepast en psychisch ongezond gedrag vertonen (geen rekening houden met anderen, afhankelijk blijven) is het ook van belang om te kijken hoe ernstig het gedrag is. Hierbij kan gebruik worden gemaakt van de criteria van Rutter. Hierbij stelt men zichzelf de vragen:
  • Is het probleemgedrag bij de leeftijd passend?
  • Is het hardnekkig?
  • Treedt het frequent op?
  • Is het specifiek voor psychopathologie (insomnia)?
  • Is het situatiegebonden?
  • Is het recent of langdurig bestaand?
  • Is het op zichzelf staand of gaat het samen met andere problemen?
  • Zijn er nadelen (voor kind/gezin, voor verder omgeving, sociale beperking, verstoring van ontwikkeling)
  • Leidt het tot psychosociale stress?
  • Hoe is de socioculturele achtergrond?

Een kind dat bijvoorbeeld op zondag slecht in slaap komt vanwege de drukte van het weekend is minder ernstig dan een kind dat 5 avonden per week niet in slaap kan vallen zonder aanwijsbare reden.

Er is veel individuele variatie in wat een normaal slaappatroon is en bovendien verandert het slaappatroon gedurende de ontwikkeling. Zo ligt de gemiddelde slaaptijd van kinderen van één jaar rond de 12 uur.

Verder is het normaal wanneer een kind van één jaar niet doorslaapt ’s nachts of wanneer een twee jarige niet wil gaan slapen of nachtmerries heeft. Bij drie tot vijf jarigen is het normaal dat zij moeilijk in slaap vallen, ’s nachts wakker worden en nachtmerries hebben. Een kwart tot een derde van de kinderen heeft ’s nachts een slaapprobleem dat de familie ‘stoort’. Ook schoolgaande kinderen en adolescenten kunnen nog last hebben van slaapproblemen, en dus niet van slaapstoornissen (Wicks-Nelson & Israel, 2003).

Van der Ploeg (1998) onderscheidt drie hoofdvormen van slaapproblemen:
  • Het kind wil niet naar bed of heeft moeite met inslapen;
  • Het kind wordt ’s nachts regelmatig wakker en slaapt niet door;
  • Het kind slaapt kort en is ’s morgens al vroeg wakker.

Er zijn veel oorzaken te vinden voor slaapproblemen. Driesen (1997) benoemt bijvoorbeeld het temperament, pathologische gezinskenmerken, situationele factoren en het gedrag van de ouders. Vaak is er sprake van een inconsequente of inconsistente aanpak van het slaap/waakgedrag. Hier wordt later in het artikel op terug gekomen, bij de adviezen voor ouders. Eerst zullen we de drie hoofdvormen van slaapproblemen die Van der Ploeg (1998) onderscheidt verder uitwerken.

1.1 Het kind wil niet naar bed of heeft moeite met inslapen

Het probleem dat ouders hun kinderen niet meer naar bed krijgen begint vaak wanneer het kind zo’n 2 à 3 jaar is, of te wel midden in de kleuter/peuterfase. In deze fase ontwikkelt zich onder andere het eigen ‘ik’ dat zich uit in vaak en hardnekkig nee zeggen. Door de ontdekking van het eigen ‘ik’ gaat het kind de strijd aan met ouders. En door zich af te zetten tegen de ouders ontdekt het kind de mogelijkheden en de grenzen van zijn eigen wil. Zo kan het voorkomen dat het kind weigert in bed te gaan of te blijven liggen of het kan blijven roepen of huilen wanneer het in bed ligt. Ook kan het zijn dat de ouders niet bekwaam zijn in het stellen van een bedtijd of wil een kind extra aandacht. Een enkele keer kan het zijn dat een kind emotioneel verwaarloosd wordt en de enige kans op interactie een bedtijdstrijd is (Driesen, 1997; Schuil, 2000).

Kinderen kunnen angstig zijn om naar bed te gaan en hierdoor moeite hebben met inslapen. Zij hebben separatieangst of zijn bang voor het donker, geluiden of voor schaduwen. De separatieangst van het kind is normaal in de peuter/kleutertijd. Geleidelijk ontdekt het kind dat hij een ander individu is dan de ouder. Hierdoor kan de angst toenemen van het kind om zijn vertrouwde hechtingsfiguur, in dit geval dus de ouder, kwijt te raken. Doordat jonge kinderen vaak nog geen onderscheid kunnen maken tussen werkelijkheid en fantasie kunnen ze ook last hebben van hun eigen fantasieën. Hierdoor kunnen ze overtuigd zijn van bijvoorbeeld krokodillen of spoken op hun kamer. Ook kunnen nachtelijke angsten een traumatische basis hebben, zoals een overlijden, een ongeval of een echtscheiding van de ouders, en het inslapen bemoeilijken. Er is dus een verband te zien tussen de ontwikkelingsfase waarin de peuter/kleuter zich bevindt en het slaapprobleem ( Driesen, 1997; Schuil, 2000).Sommige kinderen zijn bang tijdens de slaap hun controle op de opnieuw ontdekte wereld (van overdag) te verliezen (Slaapproblemen bij kinderen, 2004).

1.2 Het kind wordt ’s nachts regelmatig wakker en slaapt niet door

Het is normaal dat kinderen ’s nachts wakker worden, zelfs al is dit vaker dan een keer. Meestal valt het kind na wakker te zijn geworden ook vanzelf weer in slaap. Dit nachtelijk wakker worden kan wel een probleem worden wanneer het kind niet meer in slaap valt. Vaak voelen ouders zich verplicht om bij het kind te blijven zitten tot dat het weer inslaapt wat tot gevolg kan hebben dat het kind niet meer in slaap zal vallen zonder ouders in de buurt. Zij hebben het kind namelijk aangeleerd dat het alleen in slaap zal kunnen vallen wanneer de ouders erbij zijn. Dit gebeurt ook wanneer het kind in ouderlijk bed in slaap valt of wanneer het beneden bij de ouders op de bank in slaap valt (Driesen, 1997; Schuil, 2000).

Sommige kinderen eisen zelfs ’s nachts de aandacht van de ouders op als ze toevallig wakker worden. Wanneer zij die aandacht dan krijgen, zullen zij wakker gaan worden om aandacht te krijgen (Driesen, 1997). Nachtmerries kunnen er ook voor zorgen dat kinderen ’s nachts wakker worden. Bij nachtmerries zijn kinderen vaak angstig, maar zijn ze zich bewust dat ze gedroomd hebben. Op de leeftijd van 6 jaar is er een piek in het aantal nachtmerries; de eventuele angsten of conflicten van overdag blijven doorspelen tijdens de slaap (Driesen, 1997; Slaapproblemen bij kinderen, 2004).

Foute denkbeelden kunnen ook de oorzaak zijn van slaapproblemen. Een kind of ouder kan hebben gehoord dat het minstens 8 uur per nacht moet slapen, waardoor zij het idee kunnen krijgen dat ze slecht slapen. Hierdoor worden kinderen of ouders onzeker en gaat het kind extra vroeg naar bed, waardoor ze nog meer wakker liggen. Kinderen kunnen ’s nachts ook wakker worden omdat ze angstig zijn, honger, dorst of pijn hebben, zich alleen voelen of zich vervelen (Slaapproblemen bij kinderen, 2004).

Rond 1 jaar hebben sommige kinderen nog steeds geen regelmatig dag-nacht ritme. Onregelmatige wisselingen van omgeving of verzorgers kunnen hiervoor hebben gezorgd. Ook een te lawaaierige omgeving of een omgeving die te lang verlicht blijft kan voor een onregelmatig dag-nacht ritme zorgen (Driesen, 1997).

1.3 Het kind slaapt kort en is ’s morgens al vroeg wakker

Het vroeg wakker worden kan dezelfde oorzaken hebben als de hierboven genoemde oorzaken van het ’s nachts wakker worden. Kinderen kunnen uitgeslapen zijn, honger of dorst hebben of zich onveilig voelen wanneer het alleen op de slaapkamer is (Van de Ploeg, 1998).

1.4 Andere soorten slaapproblemen

Wanneer kinderen voor het slapen op een vaste manier heen en weer bewegen, heet dit bonken. Het houdt spontaan op voor het kind in slaap valt. Waarschijnlijk is het een manier om van activiteit over te gaan in rust. Slaapwandelen is een ander slaapprobleem. Een kind kan ’s nacht (voor middernacht) opstaan, zonder dat hij er zich bewust van is. De handelingen zijn ongecoördineerd en de oriëntatie is verminderd. Bij pavor nocturus lijkt een kind wakker te zijn, maar dat is het niet. Het kind komt angstig en gillend overeind, en is moeilijk wakker te krijgen. Bij ontwaken weet het kind er niets meer van. Deze drie slaapproblemen zijn normaal voor jonge kinderen en gaan wanneer ze ouder worden vanzelf weer over (Driesen, 1997).

2. Adviezen voor ouders over slaapproblemen

Ouders kunnen verschillende rollen spelen met betrekking tot de slaapproblemen van hun kind. Zij zijn de eerste die het kind kunnen helpen bij het overwinnen van de slaapproblemen, bijvoorbeeld door te zorgen voor een slaapritueel, het kind gerust te stellen en ervoor te zorgen dat ‘thuis’ een veilige plek is om te zijn. Een tweede rol die ouders kunnen spelen is dat ze door hun goed bedoelde gedrag de slaapproblemen juist in stand houden. Zonder het door te hebben belonen ze het kind voor het niet slapen. Zo mag het kind bijvoorbeeld langer opblijven, even naar beneden komen of bij de ouders in bed blijven slapen. Hierdoor kan het voor het kind fijn zijn om het slaapprobleem te laten bestaan. Een derde rol die ouders kunnen spelen bij slaapproblemen is wanneer ze zelf de oorzaak zijn van het probleem. Bijvoorbeeld wanneer er sprake is van mishandeling of verwaarlozing van het kind (Schuil, 2000)

Als kinderen niet naar bed willen gaan kunnen ouders van het slapengaan een ritueel maken. Het kind weet dan wat er gaat komen en krijgt zo een gevoel van vertrouwen en veiligheid. De rituelen vergemakkelijken het slapengaan en kunnen angsten wegnemen, maar zij moeten niet ellenlang duren zodat kinderen steeds weer de aandacht kunnen trekken. Belangrijk is ook dat voor het slapen geen drukke spelletjes (te opwindend) gespeeld worden, ouders moeten juist gebruik maken van slaaproutines met kalme activiteiten die het kind leuk vind (Driesen, 1997; Slaapproblemen bij kinderen, 2004; Wicks-Nelson & Israel, 2003).

Aangename en veilige dingen, zoals knuffels, kunnen een kind helpen over separatieangst heen te komen (Slaapproblemen bij kinderen, 2004). Ook kan het helpen om het kind voor het slapen te geven wat hij anders ’s nachts zou krijgen; een beetje drinken, nog even naar de wc gaan etc. Wanneer een kind dringend huilt, kun je dat als ouder het beste negeren. Ouders moeten dus leren luisteren naar het soort huilen van hun kind. Ook kunnen ouders het beste niet naar hun kind toegaan als ze boos zijn; de boosheid kan kinderen angstig maken. Het helpt soms om kinderen te belonen als ze hebben doorgeslapen. Ouders moeten vooral samenwerken en kunnen het beste in het weekend beginnen. Wanneer zij dan ook de buren van tevoren waarschuwen kunnen ze hun kind laten huilen, zonder dat zij bang hoeven te zijn achteraf klachten van hen krijgen (Driesen, 1997).

Overdag kunnen er ook al voorbereidingen worden getroffen. Zo kan door de ouders een duidelijke dagindeling gemaakt worden waar de avond dan in past. Wanneer voor kinderen hun slaapkamer een speel- of strafkamer is, dan kunnen ouders speelgoed, boeken en dergelijke beter weghalen en kinderen voor straf een andere ruimte insturen. De slaapkamer wordt zo weer alleen voor het slapen gereserveerd (Driesen, 1997; Slaapproblemen, 2004).

Wanneer de slaapproblemen samengaan met andere gedragsproblemen kunnen ouders het gedrag algemeen aanpakken, bijvoorbeeld met een algemene gedragsaanpak overdag (Driesen, 1997). Bij het oplossen van angstproblemen is het van belang dat eerst het angstprobleem opgelost wordt, in plaats van het kind te over beschermen; dit kan namelijk het slaapprobleem verergeren. Een ouder kan bijvoorbeeld regelmatig bij het kind komen kijken of in de omgeving van de kinderslaapkamer blijven, zodat het kind de aanwezigheid van de ouder kan horen. Het kind kan ook bij een sibling op de kamer slapen (Driesen, 1997). Het is van belang dat ouders er geen drama maken als het kind ’s nachts wakker wordt, maar het kind kalmeren (Slaapproblemen bij kinderen, 2004). Ook angstige kinderen kunnen beloond worden als ze zonder hulp in slaap zijn gevallen (Driesen, 1997).

Als een kind wakker wordt kan een ouder even bij het kind blijven, maar de interventie wel beperken en het licht uitlaten zodat het kind weer snel in slaap kan vallen. Problemen kunnen daarom ook het beste in de slaapkamer van het kind opgelost worden. Ouders kunnen het verhaal van kinderen beter niet bevestigen (door een monster onder het bed te gaan zoeken), want dan kunnen ze denken dat er echt iets reëels is om bang voor te zijn. Ze kunnen het kind wel vertellen dat het inbeelding is en dat ze aan fijne dingen moeten denken (Slaapproblemen bij kinderen, 2004).

De ouders van kinderen die ’s nachts wakker worden en alleen in nabijheid van een ouder in slaap kunnen vallen, moeten leren de kinderen weer alleen in hun eigen bed leren slapen. Dit kan door de kinderen meteen in hun eigen bed te leggen (en niet al in het ouderlijk bed) en daarna de aanwezigheid van de ouders langzaam af te bouwen (Driesen, 1997).

Wanneer een kind ’s nachts de aandacht opeist, kunnen ouders hun aandacht voor het kind ’s nachts beter onthouden. Ook kan het gedrag (gedeeltelijk) genegeerd worden. Daarbij kan een beloning worden gegeven voor het gewenste slaapgedrag. (Driesen, 1997; Wicks-Nelson & Israel, 2003).

Als kinderen een nachtmerrie hebben gehad is het de taak van de ouders voor het kind realiteit en fantasie te onderscheiden. Bij jonge kinderen kan dit het beste met lichaamstaal; ze even vasthouden en knuffelen. Met de kleuter kan de ouder praten over de nachtmerrie zelf, laten zien dat het verbeelding was of het spel ‘magisch doorspelen’ door bijvoorbeeld samen uit het raam te gooien. Dit alles het liefs in de slaapkamer van het kind zelf. De achtergronden van angsten (bijvoorbeeld een overlijden) kunnen het beste overdag besproken worden. Hier kan het schematisch wakker maken, waarbij het kind ongeveer 30 min voor er normaal gesproken een angstaanval zou komen wakker gemaakt moet worden, een uitkomst bieden (Driesen, 1997; Wicks-Nelson & Israel, 2003).

Wanneer kinderen geloven dat ze zeker een bepaalde tijd moeten slapen kan men goede informatie geven; als een kind ’s ochtend spontaan wakker wordt, heeft het genoeg geslapen en is het uitgerust (Slaapproblemen bij kinderen, 2004).

Om kinderen niet bewust te maken van bonken, slaapwandelen en pavor nocturus, kunnen ouders hun kinderen beter niet wakker maken. Wanneer een kind bonkt, kan de ouder wel de harde randen van het bed met zacht weefsel bedekken. En als een kind slaapwandelt, kan de ouder zijn hand vastpakken en terug naar het bed leiden, waarna het kind vanzelf weer zal gaan slapen. Bij pavor nocturus kan de ouder het kind instoppen nadat de aanval over is (Driesen, 1997).

3. Kinderinsomnia

Of slaapproblemen zich ontwikkelen tot een stoornis is waarschijnlijk afhankelijk van een complexe wisselwerking tussen persoonlijke en omgevingsinvloeden (bijvoorbeeld moeilijk temperament en depressie van ouder).

Het is vaak moeilijk om een slaapprobleem van een slaapstoornis te scheiden. Om toch een poging te doen: slaapproblemen die frequent en voortdurend zijn en geassocieerd worden met andere problemen van het kind, zijn slaapstoornissen. Slaapproblemen die geen significante stress of beschadiging aan de sociale en/of schoolpraktijken of aan andere belangrijke gebieden van functioneren veroorzaken, worden niet gezien als slaapstoornis (Wicks-Nelson & Israel, 2003).

Een psychische stoornis die op een slaapprobleem lijkt, is de stoornis insomnia. Echter wordt kinderinsomnia niet erkend in diagnostische classificaties. In de DSM-IV (classificatiesysteem wat veel wordt gebruikt door psychologen en orthopedagogen) wordt alleen een specificatie gegeven over insomnia: het moeite hebben met inslapen of doorslapen, of niet uitgerust zijn na de slaap, gedurende ten minste één maand (DSM-IV-TR, 2002; bijlage 1). Hieruit blijkt dat de term meer beschrijvend is dan verklarend. Volgens Mindell (1993) bestaat de kinderversie van insomnia wel, het wordt dan Childhood Insomnia, Limit-setting Sleep Disorder of Disorder of Initiating or Maintaining Sleep’ (DIMS) genoemd. Dit is een omgeving gerelateerde stoornis, waarbij het kind moeite heeft met het inslapen wat gekenmerkt wordt door rekken en weigeren om naar bed te gaan.

Een classificatiesysteem dat insomnia voor kinderen wel beschrijft is de International Classification of Sleep Disorders (ICSD). De ICSD splitst slaapstoornissen op in parasomnias (stoornis in de slaap, gerelateerd aan de duur, kwaliteit en tijdstip) en dyssomnias (stoornis bij het inslaap komen en blijven, bijvoorbeeld nachtmerries of slaapwandelen). De dyssomnias kunnen weer onderverdeeld worden in extrinsiek (invloeden komen van buitenaf) en intrinsiek (invloeden komen van binnenuit). Kinderinsomnia maakt deel uit van de extrinsieke dyssomnias (Glaze, Rosen & Owens, 2002).

Insomnia kan een primaire, maar ook een secundaire stoornis zijn. Vaak is er bij insomnia sprake van een secundaire stoornis. Secundaire insomnia kan geassocieerd worden met een medische, psychiatrische of slaapstoornis. De stoornis die het meest voorkomt tezamen met insomnia is depressie. Bij insomnia kan er ook onderscheid worden gemaakt tussen chronische (afwezigheid, frequente ongelukken, geheugenverslechtering, en toenemende behoefte aan gezondheidszorg) en kortstondige (slapeloosheid en schade in psychomotorisch prestatie) insomnia (Roth & Roehrs, 2003).

3.1 Effecten op het gezin en het kind

Kinderen met slaapstoornissen, vooral de jongere, kunnen lichamelijk overactief, irritatieverwekkend, impulsief en snel afgeleid zijn. Maar of deze relatie (slaapstoornis en gedragingen) causaal is, is nog onbekend. Daar is meer onderzoek voor nodig, want de relatie zou ook andersom kunnen zijn. Dan zouden de gedragingen de slaapstoornis veroorzaken. En een derde, nog niet uitgesloten mogelijkheid, is dat een derde factor beide problemen veroorzaakt.

Slaapstoornissen zouden niet alleen het humeur en het gedrag van de kinderen veranderen, maar ook het cognitieve functioneren. Uit onderzoek bleek een afname in selectieve aandacht, geheugen en waakzaamheid. Voor het gezin zijn de problemen van andere aard. Vooral de ouderlijke rust en slaap wordt aangetast door de slaapstoornissen van het kind. Dit slaaptekort kan effect hebben op het humeur en gedrag van de ouder en dit kan op zijn beurt weer invloed hebben op de interacties tussen ouders en kind met de slaapstoornis. Een vergelijking laat het volgende zien: 46 % van de moeders van een kind met slaapstoornis laat depressief gedrag zien. Terwijl dit voor moeders met kinderen zonder slaapstoornis 19% is.

Interventie moet overwogen worden als de slaapstoornis de korte -en lange termijn gezondheid van het kind en het welzijn van het gezin beïnvloedt (Glaze, et al, 2002)

3.2 Assessment van de slaapstoornis

Om een slaapstoornis bij een kind vast te stellen moet men van meer gebruik maken dan alleen de ouderlijke aangeboden informatie, want hetzelfde gerelateerde slaapgedrag kan door verschillende mensen anders uitgelegd worden. Zo kan de beschrijving van de ouders verschillen van die van de leraar of de arts of zelfs de patiënt zelf. Het kind zelf kan ook een bruikbare bron van informatie, uit onderzoek bleek namelijk dat kinderen zelf meer of sterkere slaapproblemen rapporteren dan de ouders. De ouders kunnen ook een bijdrage leveren in de vorm van een slaapdagboek/logboek of een videotape met het slaapgedrag van het kind. Als extra aanvulling voor de diagnose zouden gestandaardiseerde gedragsvragenlijsten gebruikt kunnen worden, die ingevuld kan worden door bijvoorbeeld de leraar (Glaze, et al, 2002).

3.3 Etiologie

De oorzaken van kinderinsomnia kunnen gevonden worden in constitutionele en omgevingsfactoren in de kindertijd. Voorbeelden hiervan zijn chronische/medische ziekte, ademhalingsstoornissen (bijv. astma), ziekenhuisopname of gebruik/misbruik van medicatie (maar ook alcohol of cafeïne) (Glaze et al, 2002).

Camhi, Morgen, Pernisco en Quan (2000) hebben de factoren die slaapstoornissen veroorzaken onderzocht, hierbij keken ze ook naar de slaapstoornis ‘Disorder of Initiating or Maintaining Sleep’ (DIMS).

Mogelijke factoren die volgens dat onderzoek de slaap beïnvloeden zijn sekse, leeftijd, corpulentie, astma en andere bronchiale problemen, hoesten en slijmproductie, piepen/hijgen en rhinitis (term omvattend voor symptomen die door neusirritatie of ontsteking worden veroorzaakt, zoals lopende neus, het jeuken, niesende en verstopte neus). En uit het onderzoek is dan ook gebleken dat er een sterke associatie is met ademhalingsstoornissen en de symptomen van DIMS. Hoesten en slijmproductie en piepen/hijgen en rhinitis kwamen vaker voor bij kinderen met DIMS dan bij kinderen zonder DIMS. Hoe meer symptomen een kind heeft, hoe meer kans op DIMS (Camhi, Morgen, Pernisco, & Quan, 2000).

Men kan echter ook denken aan de oorzaken van de lichtere problematiek, kinderen met inslaapproblemen kunnen bijvoorbeeld net een nieuw broertje of zusje hebben gekregen en overal graag bij willen zijn. Maar je kunt ook denken aan gebeurtenissen zoals een verhuizing, verlies van opa/oma of ruzies tussen de ouders.

3.4 Prevalentie vergelijking:

Prevalentie van slaapproblemen:
Mindell (1993) beschrijft in haar artikel verschillende uitkomsten van onderzoeken. Uit meerdere onderzoeken is gebleken dat 25% van de kinderen van 1-5 jaar last hebben van slaapproblemen. Uit een ander onderzoek blijkt dat 60% van kleuters last heeft van slaapproblemen (Psychische problematiek bij kinderen en jongeren, 2004).

En in een onderzoek bij kinderen van 2-15 jaar bleek dat 32% praat in de slaap, 31% nachtmerries heeft, 28% ’s nachts wakker wordt en 23% moeilijk in slaap valt. Uit een ander onderzoek onder 3-15 jarigen bleek dat 53% praat in hun slaap, 42% last heeft van een rusteloze slaap, 42% weigert naar bed te gaan en 26% moeilijk in slaap valt (Mindell, 1993).

Prevalentie van slaapstoornis (Disorder of Initiating of Maintaining Sleep):
De prevalentie van de Disorder of Initiating or Maintaining Sleep (DIMS) was 17,9% bij jongens van 3-6 jaar en 14,1% bij de meisjes van die leeftijdscategorie.

Op jonge leeftijd is er dus nog weinig verschil tussen de beide geslachten. Dit verandert vanaf ongeveer elf jaar. Dan is er een significant hoger voorkomen van DIMS bij meisjes (30,4%) dan bij jongens (15,6%). De percentages komen ongeveer overeen met het voorkomen van insomnia bij volwassenen vrouwen (Camhi, Morgen, Pernisco, & Quan, 2000). Mindell (1993) noteert een lagere prevalentie voor childhood insomnia of limit-setting sleep disorder. In haar artikel staat dat 5-10 % van de kinderen deze slaapstoornis ervaren.

De exacte prevalentie van slaapstoornissen bij jonge kinderen is niet bekend maar studies schatten dat 25% van peuters/kleuters hier last van hebben (Social work treatment of sleep disturbance in a 5 year old boy, 2000)

De prevalentiecijfers wat betreft de slaapstoornissen en de slaapproblemen zijn erg uiteenlopend, waardoor er dus niet echt een bepaald percentage te noemen is. Maar door vergelijking van de cijfers blijkt toch dat de prevalentie van slaapproblemen groter is dan de prevalentie van slaapstoornissen.

4. Slaapproblemen als voorspelling

Uit een onderzoek van Kataria et al. bleek dat 85% van de kinderen met leeftijd 15-48 maanden met een slaapstoornis drie jaar later dit nog steeds had. En maar 3% had na eerdere diagnose van geen slaapstoornis, na drie jaar slaapstoornissen (Glaze et al., 2002). Dus wanneer er eenmaal een slaapstoornis is vastgesteld dan is deze grotendeels stabiel.

Volgens onderzoek van Richman (1975) komt het regelmatig voor dat een slaapprobleem maanden tot meer dan een jaar stand houdt (Social work treatment of sleep disturbance in a 5 year old boy, 2000)

Ook Mindell (1993) zegt in haar artikel dat slaapproblemen de neiging hebben om blijvend te zijn, vooral vanaf de kleutertijd tot ongeveer 10 jaar. En dat slaapproblemen in oudere kinderen vaak geassocieerd (kunnen) worden met slaap-waakstoornissen in het eerste levensjaar. Bovendien hebben kinderen die al op jonge leeftijd een stoornis hebben bij het slaap-waak ritme, later vaak meerdere slaapproblemen. Een sterke relatie kan echter niet worden gelegd.

Ook noemt Mindell (1993) nog een ander onderzoek waarbij meerdere gedragsproblemen werden onderzocht. Daarbij bleken slaapstoornissen het meest blijvend te zijn, hoewel slaapproblemen in de kleuterjaren het minst blijvend zijn. 5-10% Van de slaapstoornissen aan het eind van de kindertijd en in de adolescentie kunnen voorspeld worden aan de hand van gedrag vanaf 4 jaar. Dit percentage is erg laag, dus voorspellingen over vroeg gedrag en latere slaapstoornis zijn onwaarschijnlijk.

Bovendien vermelden Wicks-Nelson en Israel (2003) dat slaapproblemen deel uitmaken van de neuropsychologische ontwikkeling en dat het vanzelf weer over gaat.

Samenvatting

Volgens van der Ploeg (1998) kun je bij problemen in de slaap bij peuters en kleuters drie hoofdvormen onderscheiden;
  • Het kind wil niet naar bed of heeft moeite met inslapen,
  • Het kind wordt ’s nachts regelmatig wakker en slaapt niet door,
  • Het kind slaapt kort en is ’s morgens al vroeg wakker.

Naast oorzaken als honger of dorst hebben en inconsequentie van de ouders wat betreft slaaproutines van hun kind(eren), kun je ook oorzaken benoemen die verband houden met de ontwikkelingsfase waarin de peuter/kleuter zich bevindt.

Voor de ouders is het van belang dat ze het kind voor het slapen gaan op hun gemak stellen. Ook het werken met een vast slaapritueel en het vergroten van de veiligheid voor het kind kunnen dienen als oplossing bij slaapproblemen.

Een psychische stoornis die lijkt op het slaapprobleem is insomnia. De kinderversie hiervan wordt Childhood Insomnia, Limit-setting Sleep Disorder of Disorder of Initiating or Maintaining Sleep (DIMS) genoemd. Het gaat hierbij om een omgeving gerelateerde stoornis waarbij het kind moeite heeft met inslapen en wat gekenmerkt wordt door tijdrekken en weigeren om naar bed te gaan.

Oorzaken kunnen gevonden worden in constitutionele en omgevingsfactoren in de kindertijd. Wanneer er eenmaal een slaapstoornis vastgesteld is, dan is deze grotendeels stabiel over de tijd. Wat betreft de prevalentie cijfers van slaapproblemen zijn er veel verschillen te zien. Zo constateert Mindell (1993) uit onderzoeken dat 25% van de kinderen van 1 tot 5 jaar last hebben van slaapproblemen terwijl uit een ander onderzoek blijkt dat 60% van de kinderen last hebben van slaapproblemen (Psychische problematiek bij kinderen en jongeren, 2004). De prevalentie van de Disorder of Initiating or Maintaining Sleep (DIMS) is bij jongens van drie tot zes jaar 17,9% en bij meisjes van dezelfde leeftijd 14,1% (Camhi, Morgen, Pernisco, & Quan, 2000).

Lees verder

© 2008 - 2021 Brigitte_, het auteursrecht van dit artikel ligt bij de infoteur. Zonder toestemming is vermenigvuldiging verboden. Deze informatie is van informatieve aard en geen vervanging voor professioneel medisch advies. Per 2021 gaat InfoNu verder als archief, artikelen worden nog maar beperkt geactualiseerd.
Gerelateerde artikelen
Probleem of stoornis: Primaire insomnia‘Primaire insomnia’ is de aanduiding voor moeilijkheden bij het in slaap vallen of in slaap blijven die niet te wijten z…
Primaire slaapstoornis (insomnia/slapeloosheid)Primaire slaapstoornis (insomnia/slapeloosheid)De primaire slaapstoornis (insomnia) is een aandoening waar vrij veel mensen mee te kampen hebben. Centraal staan slaapp…
Risicofactoren voor slaapproblemen bij kinderenVeel kinderen hebben een slaapprobleem. Zo heeft 25 tot 50% va de kinderen in de leeftijd van 1 t/m 3 jaar een slaapteko…
Tips om baby te laten doorslapenTips om baby te laten doorslapenOuders met pasgeboren baby’s zijn vaak op zoek naar manieren om hun baby langer te laten doorslapen. Het kan heel vermoe…

Flesvoeding of kunstmatige zuigelingenvoedingFlesvoeding of kunstmatige zuigelingenvoedingHet kan gebeuren dat u geen borstvoeding kunt geven, of u kiest ervoor om flesvoeding te geven. Flesvoeding of kunstmati…
Lastige babykwaaltjesDe meest belangrijke en veelvoorkomende babykwaaltjes van baby's van 0 - 3 maanden oud, wanneer moet je de huisarts bell…
Bronnen en referenties
  • Brophy, G. (2000). Social work treatment of sleep disturbance in a 5 year old boy: a single case evaluation. Research on social work practice. 10, 748-759.
  • Camhi, S.L., Morgan, W.J., Pernisco, N., & Quan, S.F. (2000). Factors affecting sleep disturbances in children and adolescents. Sleep Medicine, 1, 117-123
  • Driesen, L. (1997). Slaapmoeilijkheden bij kleuters en lagere school kinderen: Wat aan ouders adviseren?. 17 september, 2004, http://www.clb-net.be/clb01/inhouden/inhouden09/art09_1_16.html.
  • Gezondheid.be (2000). Slaapproblemen bij kinderen. 17 september, 2004, http://www.gezondheid.be/index.cfm?fuseaction=art&art_id=91#1
  • Glaze, D.G., Rosen, C.L. & Owens, J.A. (2002). Toward a Practical Definition of Pediatric Insomnia. Current Therapeutic Research, 63, B4-B17
  • Mindell, J.A. (1993). Sleep Disorders in Children. Health Psychology, 12, 151-162
  • Psychische problematiek bij kinderen en jongeren. 30 september, 2004, http://www.rivm.nl/vtv/data/kompas/gezondheidstoestand/ziekte/psychjeugd/psychjeugd_omvang.html
  • Roth, T., & Roehrs, T. (2003) Insomnia: Epidimiology, Characteristics, and Consequences. Clinical Cornerstone, 5, 5-15
  • Schuil, P.B. et al. (2000). Nederlands leerboek jeugdgezondheidszorg. Assen: Van Gorcum.
  • Van der Ploeg, J. (1998). Had me dat eerder verteld: Opvoedkundige antwoorden op veel voorkomende problemen. Utrecht: SWP.
  • Wicks-Nelson, R., & Israel, A.C. (2003). Behavior Disorders of Childhood. New Jersey: Pearson Education.
Reacties

Marije, 05-05-2009
Onze dochter van 1 slaapt elke dag heel slecht en dat duurt nu al een dikke vier maanden, ze valt wel vaak snel in slaap maar wordt na drie kwartier gillend en krijsend en helemaal trillend wakker, soms lukt het ons haar weer in haar eigen bed te laten en slapen, maar naar drie kwartier hebben we weer het zelfde probleem en dit gaat zo de hele nacht door. Dus na zo'n nacht is niemand uitgerust, Ze slaapt wel als ze bovenop mijn buik ligt. Zelfs alleen bij ons in bed is niet voldoende. we beginnen nu toch wel erg uitgeput te raken, dus wie kan ons helpen? het consultatieburo heeft wel eens gezegd laten huilen, maar dat was voor osn geen oplossing omdat ze gewoon een een hele nacht door blijft gaan en dan pas rond een uur of 6 in slaap valt. Reactie infoteur, 07-05-2009
Hoi Marije, op de site heb ik een bericht voor je achtergelaten.
Met vriendelijke groet, Brigitte

M. Ten Kley, 22-09-2008
Onze peuter van 2 jaar heeft sinds 3 weken inslaapproblemen (huilen en roepen/schreeuwen om mama), wordt s 'nachts wakker en slaapt moeilijk in. In de gezinssiutatie zijn er veranderingen: ik ben 18 weken zwanger. Naast de separatieangst die leeftijdsgebonden is, lijkt hij mij nu meer te claimen (ook s'nachts). Hij wil sterk mijn nabijheid voelen om te kunnen slapen! Mijn vraag is: Is het ondanks meerdere factoren toch goed om dit gedrag te doorbreken en met de wekker methode te starten? En hoe los je dit s'nachts op? Ik weet ook dat ik het nu in stand hou, terwijl ik hem juist will leren dat hij veilig is in zijn eigen bedje! Ook denk ik (zoals staat beschreven), deze periode is tijdelijk en is inherent aan de veranderingen binnen het gezin. Dus misschien wel uit schuldgevoel of overbescherming…, ontzie ik hem en mijzelf? Wat misschien ook wel meespeelt bij mij als ouder is een onveilige hechting in mijn eigen jeugd?

Hoe kan ik mijzelf en mijn kind het beste helpen hierin? Ik hoop dat er meedere moeders of vaders dit probleem en gevoel herkennen, en ook bespreekbaar durven maken. Reactie infoteur, 28-09-2008
Hoi M. ten Kley,
Ten eerste gefeliciteerd met uw zwangerschap!
Ten tweede vervelend dat u op dit moment met uw peuter inslaap problemen ervaart. Ik lees uit uw verhaal dat u een heleboel signalen bij uw kind herkend en dat is zeer positief.
In uw verhaal noemt u een aantal problemen: nieuw broertje/zusje, leeftijdgebondenheid en onveilige hechting.
Het laatste probleem ervaart uw kind alleen als dit in uw gedrag doorklinkt: dus als u een goede band heeft met uw kind: liefdevol maar ook grens aangevend, dan hoeft dit probleem niet een weerklank te hebben bij uw kind.
Maar hoe kunnen de inslaapproblemen dan opgelost worden?
1) De wekkermethode: in bed leggen volgens vast ritueel en afspreken om over 5 minuten terug te komen (je hier ook echt aan houden) zorg ook dat kindje kan zien wanneer het 5 minuten later is (klokje, horloge). En dit elke dag steeds verder uitbreiden (na 10 minuten treug komen, na 15 minuten en na 20 minuten). Als het kindje verdrietig is kort troosten en zeggen weer over 7 minuutjes terug te komen (of 12, enz). Maak de tussenpozen op de dag zelf ook steeds iets langer.
2) stap voor stap methode (steeds verder van zijn bedje gaan zitten, dag 1: aan zijn/haar bed zitten, dag 2) twee meter verder gaan zitten (niet ingaan op verhaaltjes/iets willen drinken), dag 3) op de gang zitten, rommelen op dezelfde verdieping, enz.
Ik kan uit je verhaal niet echt opmaken of hij/zij nu bij jullie slaapt, of jullie bij hem liggen, enz. Maar belangrijkste is als jullie een methode gaan proberen, deze goed vol te houden als er een dipje is gewoon doorzetten want dit betekent een omslagpunt van het gedrag. Dus consequent doorzetten!
Heel veel succes! Ik hoop nog iets van jullie te horen, hoe het is uitgepakt.
Ook nodig ik andere ouders uit om hun ervaringen te delen en wellicht tips te geven!
Groetjes Brigitte

Brigitte_ (94 artikelen)
Gepubliceerd: 12-03-2008
Rubriek: Mens en Gezondheid
Subrubriek: Kinderen
Bronnen en referenties: 11
Per 2021 gaat InfoNu verder als archief. Het grote aanbod van artikelen blijft beschikbaar maar er worden geen nieuwe artikelen meer gepubliceerd en nog maar beperkt geactualiseerd, daardoor kunnen artikelen op bepaalde punten verouderd zijn. Reacties plaatsen bij artikelen is niet meer mogelijk.
Medische informatie…
Deze informatie is van informatieve aard en geen vervanging voor professioneel medisch advies. Raadpleeg bij medische problemen en/of vragen altijd een arts.
Schrijf mee!