De geslachtsontwikkeling van eicel tot genderidentiteit

De geslachtsontwikkeling van eicel tot genderidentiteitAl in het begin van de zwangerschap is het spannend: wordt het een jongen of een meisje? Bij het maken van een echo wordt er gevraagd of de toekomstige ouders het geslacht van hun toekomstige kind willen weten. Al vroeg in de baarmoeder begint het onderscheid tussen een jongen en een meisje. De geslachtsorganen ontwikkelen zich een bepaalde kant uit. Dat gaat geleidelijk. In deze ontwikkeling zijn zeven fasen te onderscheiden.

Van geslachtsontwikkeling tot gender

Al vanaf de conceptie begint de geslachtsontwikkeling. De bevruchte eicel groeit langzaam uit tot een mens, een man of een vrouw. De Amerikaanse seksuoloog John Bancroft onderscheidt in de geslachtsontwikkeling van de mens zeven fasen. Bij elke fase ontwikkelt het kind zich in de richting van een bepaald geslacht. Bij de geboorte wordt het geslacht bepaald. Daarna start de genderontwikkeling. De meeste mensen die als meisje geboren worden ontwikkelen zich tot een vrouw en de jongens tot een man. Toch blijkt steeds vaker dat deze twee genderidentiteiten niet voldoende zijn. Er zijn ook mensen die zich niet op een van deze twee uiterste polen thuis voelen, maar die kiezen voor een gender daartussenin of die al naar gelang hun gevoel of de context waarbinnen ze zich bewegen wisselen van genderidentiteit.

Fase 1: De geslachtschromosomen

Als een eicel is bevrucht dan heeft deze cel 46 chromosomen. Daarvan zijn er 23 afkomstig van de eicel en 23 van de zaadcel. Van deze 46 chromosomen zijn er twee de geslachtschromosomen. Zij zijn van belang voor het onderscheid tussen man en vrouw. Een vrouw heeft twee X-chromosomen en een man heeft een X- en een Y-chromosoom. De eicel levert een X-chromosoom. De zaadcel kan een X- of een Y-chromosoom doorgeven. Afhankelijk van geslachtschromosoom dat de zaadcel levert zal de vrucht zich ontwikkelen in de richten van een man of een vrouw. De geslachtschromosomen bepalen primair de ontwikkeling van de geslachtsorganen.

Fase 2: De ontwikkeling van de gonaden

In de eerste 6 weken van de embryonale ontwikkeling zijn de gonaden, de geslachtsklieren, bipotentioneel. Dat wil zeggen dat ze nog twee kanten op kunnen. Er is dan nog geen verschil tussen de geslachtsklieren van een jongen of een meisje. Daarna differentiëren ze zich tot testes (zaadballen) of tot ovaria (eierstokken).

Fase 2: De productie van geslachtshormonen

In de mannelijke foetus produceren de testes geslachtshormonen. Het hormoon testosteron is daarin het meest van belang. De vrouwelijke foetus ontwikkelt zich zonder de aanmaak van specifieke geslachtshormonen. De hormoonproductie van de ovaria is in deze fase dan ook minimaal.

Fase 4: De ontwikkeling van de interne geslachtsorganen

In de eerste 6 tot 10 weken van de ontwikkeling van de foetus zijn de seksuele organen nog ongedifferentieerd. Er is dan nog geen verschil te zien tussen een jongen en een meisje. Na ongeveer 10 weken zullen de ongedifferentieerde seksuele organen zich ontwikkelen tot mannelijke of vrouwelijke geslachtsorganen.

Fase 5: De ontwikkeling van de externe genitaliën

De externe genitaliën ontwikkelen zich in een mannelijke richting tot penis en scrotum of in een vrouwelijke richting, waarbij zich de clitoris, de labia majora (grote, of buitenste schaamlippen) en de labia minora (kleine, of binnenste schaamlippen) vormen. Bij een zwangerschap van minstens 14 weken is het mogelijk om via een echo het geslacht van de baby te bepalen. Meestal vindt de geslachtsbepaling plaats in week 20 tot 24 van de zwangerschap.

Fase 6: De seksetoewijzing bij de geboorte van de baby

Bij de geboorte van het kind wordt de sekse officieel toegewezen. Op basis van de externe geslachtsorganen van de pasgeborene wordt het duidelijk of het om een jongen of meisje gaat. Als het op grond van de geslachtsorganen het onduidelijk is of de baby van het mannelijk of vrouwelijk geslacht is, zal een arts nader onderzoek doen om het geslacht te bepalen.

Fase 7: De ontwikkeling van de genderidentiteit

Vanaf het moment dat het geslacht van de pasgeborene bekend is, wordt er met meisjes en jongens vaak verschillend omgegaan. Dit vindt soms al plaats voor de geboorte van het kind. Als de ouders bij een echo hebben aangegeven het geslacht van het kind te willen weten, kunnen ze daar al rekening mee gaan houden. Afhankelijk van de context waarin het kind geboren wordt zal er meer of minder verschil tussen de geslachten zijn. Soms is de babykamer al voor de geboorte ingericht op het geslacht van het kind. Meisjes een roze kamer en jongens een blauwe. Ze krijgen verschillende kleding aan. Hoewel afwijkingen in de geslachtsontwikkeling zeldzaam zijn, kunnen zich in elke ontwikkelingsfase problemen voordoen. Bij het opgroeien zal het kind steeds meer zelf zijn eigen identiteit ontwikkelen. De genderidentiteit vormt daar een wezenlijk onderdeel van.

Genderidentiteit

Genderidentiteit verwijst naar het basisbesef van een persoon om man, vrouw of van een onbepaalde sekse te zijn. Er is veel variatie mogelijk in de beleving van de genderidentiteit. De genderidentiteit van een persoon kan in de loop van de tijd veranderen. Mensen kunnen wisselen in het man of vrouw zijn. Vroeger was er sprake van een duidelijke tweedeling. Men was man of vrouw. Iets anders bestond er niet. Tegenwoordig is er steeds meer de ontwikkeling naar minder vaststaande genderrollen. Er komt steeds meer ruimte voor mensen om hun eigen individuele gender tot expressie te brengen. De expressie van gender kan verschillend zijn naargelang de sociale context.
© 2020 - 2026 Theofilus, het auteursrecht van dit artikel ligt bij de infoteur. Zonder toestemming is vermenigvuldiging verboden. Deze informatie is van informatieve aard en geen vervanging voor professioneel medisch advies. Vanaf 2021 is InfoNu gestopt met het publiceren van nieuwe artikelen. Het bestaande artikelbestand blijft beschikbaar, maar wordt niet meer geactualiseerd.
Bronnen en referenties
  • Inleidingsfoto: Mohamed Hassan, Pixabay
  • Bancroft, J. (2009). Human sexuality and its problems (3rd ed.). Edinburgh: Elsevier.
  • Frans, E., Motmans, J., e.a. (2008). Gender in de blender. Leuven: Dienst diversiteit en gelijke kansen.
  • Cuypere, G. de, e.a.. (2009). Genderproblemen. In: Gijs, L., e.a., Seksuologie (2nd ed.) (pp.395-418). Houten: Bohn Stafleu Van Loghum.
  • Migeon, C. J., Wisniewski, A. B. (1998). Sexual differentiation: From genes to gender. Hormone Research, 50, 245-251.