Het nut en gebruik van voedingsstoffen
Voedingsstoffen zijn belangrijk. Je moet voldoende voedingsstoffen binnenkrijgen. Dit dieet bevat niet de juiste of voldoende voedingsstoffen. Er wordt veel gezegd over voedingsstoffen, maar wat zijn het nou precies? Wat is het verschil tussen macro en micro of organisch en niet-organisch?
Voedingsstoffen zijn belangrijk voor elk organisme: mens, dier of plant. De moleculen zorgen ervoor dat we overleven en groeien en houdt ons metabolisme, oftewel stofwisseling, in stand. Voedingsstoffen reguleren onze lichaamsprocessen, bouwen en repareren weefsels, geen ons energie.
Organisch versus niet-organisch
Bij voedingsstoffen kan er een onderscheid worden gemaakt tussen organische en niet-organische voedingsstoffen. Onder de eerste groep vallen bijvoorbeeld de koolhydraten, vetten en proteïnen (eiwitten). Onder de tweede groep mineralen, water en zuurstof.
Wat betekent dit dan? Organisch houdt in dat het eens deel was van een levend organisme, zoals van een plant of een dier. Vetten kunnen van dieren (dierlijke vetten, zoals uit de melk of van het vlees) komen, of van planten (plantaardige vetten, zoals uit pinda's, sojabonen, zonnebloem, sesam, of kokosnoot).
Essentieel versus niet-essentieel
Essentieel gaat erover of een organisme de voedingsstof uit een externe bron krijgt of niet. Wanneer het eerste het geval is, is de voedingsstof essentieel. Dit houdt dus in dat het organisme zelf niet (genoeg) van de voedingsstof kan aanmaken met het eigen lichaam. Dit is afhankelijk van het organisme: veel organismen kunnen hun eigen vitamine C aanmaken, maar bij de mens is het essentieel. Andere essentiële voedingsstoffen zijn vetzuren, aminozuren, mineralen en andere vitaminen.
Veel essentiële voedingsstoffen zijn in grote hoeveelheden giftig.
Macro versus micro
Microvoedingsstoffen zijn voedingsstoffen waarvan we maar een kleine hoeveelheid nodig hebben. Van macrovoedingstoffen hebben we grotere hoeveelheden nodig. Het effect dat een voedingsstof op ons heeft is afhankelijk van de hoeveelheid die we binnenkrijgen. Bij een tekort spreken we van een gebrek aan een bepaalde voedingsstof.
Voorbeelden van macrovoedingsstoffen zijn koolhydraten, eiwitten en vetten. Ook water en zuurstof moeten in grote hoeveelheden worden gebruikt, maar deze worden niet altijd als voedingsstoffen beschouwd. Calcium, zout, magnesium en kalium zijn in principe ook macrovoedingsstoffen, maar worden macromineralen genoemd.
Energie versus stofwisseling
Stoffen als koolhydraten, eiwitten en vetten geven de mens energie. De energie-inhoud van vet is 9 kcal per gram, van eiwitten is dit 4 kcal per gram, vandaar dat vet ook vaak wat angstvallig wordt bekeken. Ethanol (alcohol) heeft een energiewaarde van 7 kcal per gram. Daarnaast bestaan er voedingsstoffen die de stofwisseling aanzetten. Dit zijn mineralen, vitaminen en water.
Zes hoofdklassen
Koolhydraten
Deze bevatten een aantal suikereenheden, waarbij complexe koolhydraten de koolhydraten met drie suikereenheden zijn. Het geloof is dat eenvoudige koolhydraten sneller worden geabsorbeerd en dus eerder het bloed-glucose niveau omhoog werken. Ook vezels vallen onder de klasse koolhydraat.
Bijvoorbeeld rijst, noedels, brood, granen.
Vetten
Hierbij is een onderscheid te maken tussen verzadigd en onverzadigd vet, waarbij het eerst meer waterstofmoleculen bevat. Transvetten zijn onverzadigde vetten die via fabriekswerk gehydrogeerd worden. Onverzadigde vetten worden beschouwd als gezond, en transvetten moeten juist vermeden worden. Trans- en verzadigde vetten zijn herkenbaar doordat ze bij kamertemperatuur hard worden (zoals boter).
Bijvoorbeeld boter, olijfolie en varkensvet.
Eiwitten
Eiwitten zijn de basis van vele dierlijke lichaamsdelen, zoals de spieren, huid en de haren. Eiwitten zijn belangrijk tijdens ontwikkeling en zwangerschap, bij het geven van melk of wanneer iemand gewond is. Er zijn complete en incomplete eiwitten, maar incomplete kunnen in combinatie compleet worden (bijv. rijst met bonen).
Bijvoorbeeld vlees, tofu, sojaproducten, eieren, melk en kaas.
Vitaminen
Vitaminen zijn belangrijk in de dagelijkse voeding, en enkel vitamine D kan op een andere manier worden verkregen (namelijk via UVB radiatie, via de zon). Afwezigheid van vitaminen kan leiden tot ziektes, zoals osteoporose, een verminderd immuumsysteem, voortijdig verouderen of kanker.
Bijvoorbeeld vitamine A in lever, vis en melk, vitamine B1, 2, 3, 5, 6, 8, in vlees en granen, melk, groenten en fruit, vitamine B11 vooral in groene groente, vitamine B12 in voedingsmiddelen van dierlijke afkomst, vitamine C in groente, fruit en aardappelen, vitamine D in zonlicht, vitamine E in plantaardige producten en oliën, vitamine K is zelf aan te maken, maar ook in spinazie, broccoli en oliën.
Mineralen
Deze zijn, naast waterstof, stikstof, koolstof en zuurstof, nodig om te overleven. De voorkeur gaat naar natuurlijke producten, maar mineralen worden ook vaak toegevoegd door middel van supplementen, zoals bij iodine om schildkliervergroting tegen te gaan. Bekende mineralen zijn calcium (botsterkte), magnesium (meer flexibiliteit), kalium (hart en zenuwen), natrium (bloeddruk), zwavel (huid, haar, nagels, lever, alvleesklier).
Bijvoorbeeld calcium in zuivelproducten, ijzer in vlees, aardappelen, brood en groenten, kalium in brood, melk, vlees en groenten, koper in orgaanvlees, zeevis en schelpdieren, magnesium in cacao, garnalen en sojaproducten.
Water
Het lichaam moet voortdurend bijgevuld worden, omdat het ook zo gemakkelijk vocht kwijtraakt (zweten, plassen, uitademen). Aangeraden wordt om 6 tot 8 glazen water te drinken per dag, maar dit wordt ook vaak weer verworpen en de een zegt dat je enkel puur water mag drinken, terwijl volgens de ander watervasthoudende producten ook tellen.