InfoNu.nl > Mens en Gezondheid > Diversen > Medische terminologie: Prefixen, stammen en suffixen

Medische terminologie: Prefixen, stammen en suffixen

Medische terminologie: Prefixen, stammen en suffixen “Mijn dokter praat Chinees! Ik begrijp er niets van”, is één van de vaakst gehoorde zinnen na een doktersbezoek. Veel termen lijken immers erg moeilijk, zoals bijvoorbeeld “cholecystoduodenostomie” of “cheilognathopalatoschisis”. Niettemin gebruik je in je dagelijkse taal tal van woorden die zijn afgeleid uit het Latijns of Grieks, en dit betreft niet enkel medische termen. Enkele voorbeelden hiervan zijn dementie, diarree, dyslexie, export, echografie, homoseksueel, enzovoort. Vrijwel alle hedendaagse medische terminologie stamt nog steeds uit het Latijns of Grieks. Dankzij een zeer uitgebreide lijst met medische termen weet je beter wat je dokter je wil zeggen.

Woorden vormen: Prefix, stam en suffix

In feite is medische terminologie een spel van bouwstenen. Je neemt één of twee stammen (centrale deel van het woord, basiselement), voegt een prefix (voorvoegsel) en/of suffix (achtervoegsel) toe en zo maak je een nieuw woord. Een prefix plaats je aan het begin van een woord om de betekenis van de medische term te wijzigen. Prefixen worden tevens gebruikt om het aantal, de hoeveelheid, de afmeting, de gelijkenis, een verschil, een tegenstelling, een kleur, ontkenning, een richting, een plaats (locatie, positie), de snelheid, een getal (nummer) of de tijd aan te geven. Een suffix komt aan het einde van het woord en geeft ook een andere betekenis aan het woord. Veelal volgt tussen de stam en de suffix nog de letter “o” als binding en om de term makkelijker uit te spreken, zoals bijvoorbeeld hepatopathie (leveraandoening). Dankzij de Latijnse en Griekse taal is het bouwen van woorden heel eenvoudig, omdat je de woorddelen gewoon aan elkaar kan plakken.

Nederlands versus Latijns en Grieks

De Latijnse en Griekse termen worden als het ware “vernederlandst” in de Nederlandse taal.

“ae” wordt “e”. Voorbeeld: “hemostatica” in plaats van “haemostatica”
“cocci” wordt “kokken”. Voorbeeld: “streptokokken” in plaats van “streptococci”
“caemie” wordt “kemie”. Voorbeeld: “hypoglykemie” in plaats van “hypoglycaemie”
“ia” wordt "ie”. Voorbeeld: “dementie” in plaats van “dementia”
“lysis” wordt “lyse”. Voorbeeld: “analyse” in plaats van “analysis”
“oe” wordt “eu”. Voorbeeld: “apneu” in plaats van “apnoe”
“oma” wordt “oom”. Voorbeeld: “angioom” in plaats van “angioma”
“osis” wordt “ose”. Voorbeeld: “artrose” in plaats van “arthrosis” (artrose: reumatische aandoening van gewrichtskraakbeen met pijn, stijfheid, gewrichtsgeluiden en hardheid)
“ph” wordt “f”. Voorbeeld: “afakie” in plaats van “aphakia”
“rh” wordt “r”. Voorbeeld: “diarree” in plaats van “diarrhea”
“th” wordt “t” op het einde van een woord of voor een medeklinker. Voorbeeld: “psychopaat” in plaats van “psychopaath” en “trombose” in plaats van thrombose.

Let wel: bij een samenstelling blijft de Latijnse of Griekse schrijfwijze behouden. Voorbeeld: "astma" (enkel woord in het Nederlands) en "asthma cardiale" (samenstelling, Latijnse schrijfwijze wordt gebruikt). Asthma cardiale: ademnood doordat het hart de bloedstroom niet aankan.

Enkelvoud en meervoud bij een zelfstandig naamwoord

Voor het maken van meervoud van een Latijns of Grieks zelfstandig naamwoord, gelden een aantal regels:

"a" wordt “ae”. Voorbeeld: enkelvoud: "scapula", meervoud: "spaculae" (schouderbladen). Uitzondering: "neoplasma" wordt "neoplasmata" (nieuwvormingen, gezwellen)
"ans" wordt "antia". Voorbeeld: enkelvoud: "anticoagulantium", meervoud: "anticoagulantia" (bloedstollende geneesmiddelen)
"ens" wordt "entia". Voorbeeld: enkelvoud: "agens", meervoud: "agentia" (werkzame middelen)
"io" wordt "iones". Voorbeeld: enkelvoud: "articulatio", meervoud: "articulationes" (gewrichten)
"is" wordt "es". Voorbeeld: enkelvoud: "canalis", meervoud: "canales" (kanalen)
"itis" wordt "itides". Voorbeeld: enkelvoud: "nefritis (nierontsteking)", meervoud: "nephritides" (nierontstekingen), Nederlands: nefritiden
"um" wordt "a". Voorbeeld: "anestheticum", meervoud: "anesthetica" (pijnverdovende geneesmiddelen, gevoelloos makende geneesmiddelen)
"us" wordt "i". Voorbeeld: "bronchus", meervoud: "bronchi" (luchtpijptakken)

Uitleg over medische lijst

Hetgeen zich voor de schuine streep bevindt, is een prefix of stam. Alles wat zich achter de schuine streep bevindt, is een suffix. Sommige termen hebben meerdere betekenissen, dus kijk zeker even naar alle mogelijke verklaringen. Daarnaast bezitten tal van woorden dezelfde betekenis, maar zijn ze toch verschillend en daarbij is de combinatie met elke prefix, stam of suffix niet altijd mogelijk. Een eenvoudig voorbeeld is bijvoorbeeld de term “hemostaticum” (bloedstelpend geneesmiddel). "Sangu/" betekent ook bloed, maar “Sanguostaticum” is een foute, onbestaande combinatie.

Prefixen

Deze termen plaats je eerst om een (medisch) woord te vormen.

TermVerklaring
a/, an/niet, zonder, gebrek aan
ab/af, weg van
acanth/stekelige, netelig
acu/scherp, ernstig, plotseling
ad/nabij, naar toe, naar iets toe, bij, richting
all/, alle/, alloander(s)
ambi/tweevoudig, in tweevoud, dubbel, paarsgewijs, aan beide zijden
ambly/afgestompt, verzwakt
amfi/, amphi/rond, aan beide kanten
ana/naar boven, opnieuw, gewijzigd, veranderd, omgekeerd, met
anis/, aniso/ongelijk, het andere
ankyl/krom, stijf, verstijfd
ante/vóór, vooruit
anter/, ante/voorzijde
anti/tegen, tegengesteld
anxi/onrustig, angstig
arch/, /archevroegste, eerste, voorafgaand aan, in, met betrekking tot
atel/onvolledig
aut/, auto/, autori/zelf, eigen, van de persoon zelf
bas/basis, tegenovergestelde van zuur
ben/goed, wel, gemakkelijk
bi/twee(maal), dubbel
bil/, /bili, /bilisgal
brachy/kort
brady/traag, (te) langzaam
cac/slecht
caec/, cec/blinde darm: begin van de dikke darm
cata/, kata/neer, naar beneden
chlor/groen
chrom/kleur
chron/tijd
circum/rond(om)
cirr/, cirrh/oranje-geel
co/, con/, com/met (elkaar), samen, tezelfdertijd
contra/tegen, tegengesteld, tegenover
cyan/blauw
de/ gebrek aan, naar beneden, minder, verwijdering van, zetten, plaats
de/, des/ont, weg van
deca/tien
di/twee(maal), dubbel
dia/afzonderlijk, tussen, door(heen), uiteen, langs
dipl/tweevoudig, in tweevoud, dubbel, paarsgewijs, aan beide zijden
dis/uit elkaar, scheiden, anders
dist/ver, afgelegen, verder weg
dolich/lang, verlengd
dys/stoornis, gestoord, moeilijk, moeilijkheid, pijnlijk, slecht
e/, ec/, ex/, exo/, ect/, ecto/, extra/weg van, uit, (naar) buiten, buitenkant, buitenwaarts
em/binnen(kant, waarts), in
en/, end/, endo/ binnen(kant, waarts), in
enanti/tegenover, in tegenstelling
ent/ binnen(kant, waarts), in
epi/op, over, boven
erythr/, erytr/, erythem/gespoeld, roodheid
eu/gemakkelijk, goed, wel
hapl/eenvoudig, enkelvoudig
hemi/helft, half(zijdig), aan één zijde, één helft
hepta/zeven
heredo/erfelijkheid
herni/hernia
heter/ongelijk, het andere
hexa/zes
holo/(in) het geheel, compleet
hom/, homo/gelijk(end), dezelfde, onveranderlijk, constant
hyp/, hypo/te weinig, onvoldoende, minder dan normaal, onder(kant), lager, onder, beneden, tekort, hieronder, onder
hyperboven, te veel, overdreven, bovenkant, overmatig, boven normaal, buitensporig
hypermetr/bovenmatig
hypsi/ hoog
in/, im/in, on, niet, binnen
infer/, infra/te weinig, onvoldoende, minder dan normaal, onder(kant), lager, onder, beneden, hieronder, inferieur aan
inter/ tussen, in het midden
intra/ binnen, in
is/gelijk, gelijk
isch/tegenhouden, terug, gebrek (aan), tekort, te weinig, deficiëntie
iso/gelijk(end), dezelfde, onveranderlijk, constant
lept/dun, slanke
leuk/, leuc/, leukoswit
lev/, levo/links, linker
lox/ schuin
luit/geel
macr/, macro/groot
mal/kwaad, slecht, gebrekkig
medi/midden
megal/, mega/, megalo/groot, vergroting, te groot
melan/zwart
mes/, meso/midden, tussen, in het midden
meta/veranderen, wijziging, vervorming, voorbij, na
mi/kleiner, minder
micr/, micro/klein, kleiner, miljoenste
milli/duizendste
mon/één, enkel, alleen
multi/multiple meervoudig, veel, vele, meer(dere), veelvuldig
my/dichttrekken
mydr/breed
noni/negen
nulli/geen
olig/, oligo/weinig, zeldzaam, karig
opisth/achteruit, achter
orth/, ortho/recht, normaal
oxysm/plotseling
pachy/dik, zwaar
pale/oud
pan/, pant/al, alle, alles, geheel
par/, para/naburig, buurt, naast, verwant met, buiten ... om, abnormaal, losstaand van, langs de kant van
pent/, penta/vijf
per/door(heen), uiteen, langs, door middel van, vervormd, verminkt
peri/omringend, rond(om)
platie/, platy/ brede, platte
ple/meer, veel
pluri/meervoudig, veel, vele, meer(dere), veelvuldig
poikil/gevarieerd, onregelmatig
pol/extreem
poli/grijs
pollakis/dikwijls, vaak
poly/ meervoudig, veel, vele, meer(dere), veelvuldig, velen, veel
post/, poster/, postero/terug (van het lichaam), na, (naar) achter, achterwaarts, achterkant
pre/, prae/voor, vooraf, vooruit, voorkant, naar voor
primi/vroegste, eerste, voorafgaand aan, in, met betrekking tot
pro/, pros/voor, vooraf, vooruit, voorkant, naar voor
prot/, proto/vroegste, eerste, voorafgaand aan, in, met betrekking tot
proximdichter bij, nabij (het midden), in de buurt
pseud/vals, onecht, schijnbaar
purpur/paars
pycn/dik, dicht
quadrivier, vierkant
quant/hoeveel
quart/ vierde, vier
quasiin zekere mate alsof
quint/ vijfde, vijf
quota/hoeveel
re/her-, opnieuw, terug
retr/, retro/na, (naar) achter, achterwaarts, achterkant
rhod/rood, roze
rose/rooskleurig
rubr/rood
scirrh/hard
scoli/krom
semi/helft, half(zijdig), aan één zijde, één helft
sept/, septi/zeven
sex/zes
sinistr/links, linker
sinus/sinus
solit/alleen(staand), enkelvoudig
sub/te weinig, onvoldoende, minder dan normaal, onder(kant), lager, onder, beneden
super/ boven, te veel, overdreven, bovenkant, overmatig, boven normaal, voorbij
supra/hierboven, boven, bovenste, te veel, overdreven, bovenkant, overmatig, boven normaal
syn/, sym/met (elkaar), samen, tezelfdertijd
tachy/ (te) snel
tel/compleet
tele/op het einde, ver
temp/tijd
tetra/vier
tom/, /tomie /toom(in)snijden, insnede, snede, segment, insnijding, chirurgische opening
ton/, /toon, /toniedruk, spanning
top/, toop/plaats, positie, plaats
torso/gedraaid
trans/ over, door, door(heen), uiteen, langs
tri/drie
ultra/ daarbuiten, overmaat, voorbij; overtreffende graad
uni/één, enkel, alleen
xanth/geel
xen/vreemd, vreemdeling, buitenlander
xer/droog, droogte
xiph/, xiphi/ zwaardvormig

Stammen

Deze termen kan je plakken achter de prefix.

TermVerklaring
abdomin/buik
acar/mijten
acetabul/acetabulum (heupkom)
acr/, acro/extremiteiten (armen en benen), lichaamsuiteinden, top, uiterste punt, uitsteeksels
actine/licht
acust/, akoest/, acous/, acoust/gehoor
aden/klier
adip/vet
adren/bijnier
aer/lucht
agglutin/klonteren, aan elkaar plakken
alb/, alba/, albin/wit
alges/pijngevoeligheid
alveol/alveolus, luchtzak
ammon/ammonium
amni/amnion (zak rond het embryo)
an/aars (natuurlijke opening van de endeldarm naar buiten
andr/man
aneurysma/aneurysma (verwijding van de bloedvaten)
angi/vat (bloed)
anthr/antrum van de maag
anthrac/kolen
aort/aorta (de grootste slagader)
aphth/zweer
appendic/appendix, aanhangsel van de blinde darm
aque/water
arachn/spin, spinnenweb
arseen/arsenicum
arter/, arteri/slagader
arteriol/arteriole (kleine slagader)
artr/, arthr/, articul/gewricht
asbest/asbest
aspir/verwijderen
astr/ster, stervormig
ather/brij, brijachtige massa, vetachtige stof, plaque
atmos/stoom, damp
atreto/gesloten, een ontbrekende opening
atri/atrium (bovenste hartkamer)
audi/, audit/gehoor
aur/, auric/, auricul/oor
aux/groei, versnelling
axi/as
axill/oksel(holte)
azot/ureum, stikstof
bacill/bacillen (bacteriën)
bacteri/bacteriën
bad/buis
balan/eikel
bar/druk, gewicht
bartholin/Bartholin klieren
batho/, bathie/diep, diepte
bilirubine/bilirubine
bio/leven
blefar/, blephar/ooglid
blenn/slijm (sputum)
bol/gooi
brachi/(boven)arm
brom/broombevattende verbindingsgeur
bronch/fijne luchtpijpvertakking (luchtweg van de long)
bronchiol/bronchiolus
bucc/wang
burs/zak van vocht in de buurt van gewrichten
byssin/katoenen stof
calc/calcium
calcane/calcaneus (hielbeen)
calci/calcium
calcul/, /calculia, /calculieberekenen
calcul/steen
cali/, calic/kelk
calor/verwarmen
campt/gebogen
cap/, cep/hoofd, kop
capn/kooldioxide
caps/, capsul/capsule, container
carcin/kankercellen, kanker
card/, cardi/hart
cari/cariës, verrotting
carp/handwortel
cathart/reinigen, zuiveren
caud/staart, onderlichaam van
caus/branden, brandend
cauter/warmte, brandwonde
cav/, cavit/hol, holte
cefal/, cephal/hoofd
celi/buik
cent/prikken, prikkelen, steken
centr/centrum, centraal
cerebel/cerebellum (achterste deel van de hersenen)
cerebr/cerebrum (grootste deel van de hersenen), grote hersenen
cerumin/cerumen
cervic/hals, baarmoedermond (hals van de baarmoeder)
cheil/lip
cheir/, chir/hand, handen
chem/drugs, chemisch
chlorhydr/zoutzuur
chol/, chole/gal
cholangi/galwegen
cholecyst/galblaas
choledoch/galweg
chondr/kraakbeen
chori/chorion (buitenste membraan van de foetus)
choroid/choroid, laag van het oog
chrys/goud
chym/gieten
cib/maaltijd
cine/beweging
cis/snijden
claustr/afgesloten ruimte
clavicul/sleutelbeen
cleid/sleutelbeen
clin/helling, bocht
clon/onbeheerste beweging
coccyg/stuitbeen (staartbeen)
cochle/slakkenhuis (binnenste deel van het oor)
col/, coli/, colic/, colon/colon, dikke darm
coll/alijm
colp/, vagin/, vaginaschede
comat/diepe slaap
comi/zorgen voor
condyl/knobbelig gewrichtsuiteinde, gewrichtsknobbel
coni/stof
conjunctiv/bindvlies (lijnen van de oogleden)
constrict/vernauwing, binding
contus/kneuzing
copr/, copro/met betrekking tot ontlasting, feces
cor/pupil: beweeglijke opening in regenboogvlies
core/ kern (verzameling van zenuwcellen in de hersenen)
corne/hoornvlies van het oog: het voorste doorzichtig deel van de harde oogrok
corpor/lichaam
cortic/met betrekking tot de (hersen)schors (cortex)
cost/rib
cox/(heup)gewricht
crani/schedel
cras/mengsel, temperament
creat/vlees
crino/afscheiding, secretie
criticus/crisis, gevaarlijk
cry/, cryo/met betrekking tot koude
crypt/verborgen, sluimerend, onzichtbaar
cubit/elleboog, onderarm
cycl/, cyclo/cirkelvorm, periodiek verloop, fiets, cirkel, straallichaam, (in het oog), corpus ciliare
cyst/(urine)blaas
cyt/, /cytcel, kamer
dacry/traan
dacryoaden/traanklier
dacryocyst/traanzak
dactyl/vingers, tenen
dem/mensen
dent/tand
derm/, dermat/huid
desicc/drogen
dextr/rechts, rechter
diafor/, diaphor/zweet
digit/vinger
dilat/verwijden, verwijding: wordt gebruikt bij bloedvaten of het kunstmatig dilateren van een orgaan bijv. een ballondilatatie van een vernauwd bloedvat
dips/dorst
disc/(tussenwervel)schijf
dolor/pijn
dors/, dorsi/rug (van het lichaam)
drom/loop, lopen
duct/ leiden, dragen
duoden/twaalfvingerige darm (eerste deel van de dunne darm)
dur/dura mater
dynam/macht, kracht
echin/doornig, stekelig
echo/weerkaatst geluid
ectro/aangeboren afwezigheid
ele/olie
electr/elektriciteit
embol/embolie
embry/embryo
encefal/, encephal/hersenen: het geheel van hersenstam, cerebrum, tussenhersenen en cerebellum
enter/(dunne) darm: hier wordt de grootste hoeveelheid spijsverteringssap afgescheiden
eosine/rood, rooskleurig, dawn gekleurde
epididym/bijbal
epiglott/epiglottis (strotklepje)
episi/vulva
epitheli/de huid, epitheel
equin/paard
erg/, erget/, /ergie, /ergiawerk(en), werking, prestatie, arbeid
err/dwalen, dwaling
eschar/korst, brandkorst, schurft
eso/ binnen(kant, -waarts), in, naar binnen
esthes/, esthesi/zenuwachtig gevoel
estr/vrouw
ethm/zeef
eti/oorzaak
eugoed, normaal, wel, gemakkelijk
exanthemat/huiduitslag
fa/hart
faci/gezicht
fag/, phag/, /phageten, slikken
fak/, phaclens van het oog
falang/, phalang/vingerkootjes (van vingers en tenen)
falangkootje(s) van tenen of handen
fall/, phall/roede, penis
faner/, phaner/toegankelijk schijnbare
farmac/, farmaceut/, pharmac/, pharmaceut/medicatie
faryng/, pharyng/keelholte (holte achter neus en mond)
fas/, /fasie, phasis, fabul/spreken, spraak, praten
fasci/fascia (membraan ondersteunende spieren)
fe/, pheschemerig, donker
febr/koorts
femor/femur (dijbeen)
ferr/i, ferr/ijzer
fertil/vruchtbaar
fet/foetus
fibr/bindweefsel, vezel
fibros/vezelig bindweefsel
fibul/fibula (kuitbeen)
fil/, /fiel, /filie, /phiel, /philieliefde, vriend, neiging, geneigdheid, affiniteit, zucht, draad, draadachtig
filament/draad, draadachtige
fim/, phim/snuit
flav/geel
fleb/, phleb/ader(en)
flex/buigen
fluor/lichtgevende
foc/brandpunt (van een lens), haard
follicul/follikel, kleine zak
fon/, phon/stem, geluid
fon/geluid
fosfat/, phosphat/fosfaat
fot/, phot/licht
foto/met betrekking tot licht (= phos)
fragm/, phragm/scheiding
fren/, phren/middenrif, geest
frigid/, frigide/koud
front/voorhoofd
funct/prestaties
fung/, fungi/schimmel
furc/tweetandig, vertakking
fusc/donkerbruin
fyl/, phyl/ras, soort, type
fys/, phys/lucht-, gas-
fysi/, physi/natuur, functie
fysic/, physic/fysiek, natuurlijk
fyt/, phyt/, phyt/met betrekking tot planten, gewas, fabriek
galact/melk
gangli/(zenuw)knoop: verdikking in het verloop van een zenuw
ganglion/ganglion, collectie van zenuwcellichamen
gastr/, gastro/maag
ge/aarde, bodem
gel/bevriezen, stollen
gemell/tweeling
geni/kin
genit/reproductie
genital/in- en uitwendige geslachtsorganen: de primaire geslachtskenmerken
ger/, geront/ouderdom
gesch/weefsel
gest/, gester/zwangerschap
gigant/enorm
gingiv/, gingivatandvlees
glauc/grijs
gli/gliacellen, neurogliacellen
glomerul/glomerulus
gloss/tong
gluc/, glyc/, glycos/glucose, suiker
glyk/, gluc/zoet, (lichaams)suiker
gnath/kaak, kaken
gnos/kennis
gon/knie, zaad
gonad/, gonade/geslachtsorganen, geslachtsklieren
goni/, gonio/hoek
granul/korrel(s)
gravid/zwangerschap
gynec/, gynaec/vrouw
gyr/cirkel, spiraal
hallucin/hallucinatie
helc/zweer
heli/zon
hemat/, heam, /haemie, haemat/, hem/bloed
hepat/lever
hidr/zweet, zweten
hirsut/harig
hirund/bloedzuiger
hist/, histi/weefsel
humer/opperarmbeen
humor/(lichaams)vloeistof
hydr/water, vocht
hygr/vocht
hymen/maagdenvlies
hypn/slaap
hypofys/, hypophys/ hypofyse
hypothalam/hypothalamus
hyster/baarmoeder
iatr/, /iatergeneesheer, arts, behandeling
ichthy/droog, geschubd
ide/idee, mentale beelden
idi/onbekend, individu, onderscheiden
idr/zweet, zweten
ile/ileum: kronkeldarm, karteldarm (= laatste deel van de dunne darm)
ili/ilium
immun/immuun, bescherming, veilig
inguin/lies
insuline/insuline (pancreashormoon)
intestin/darmkanaal; buikingewand
ion/proces, dwalen
ipsihetzelfde
ir/, irid/iris, regenboogvlies (gekleurde deel van het oog)
ischi/zitvlak, zitbeen (een deel van het heupbeen)
ithie/, ithyrechtop, recht
jaund/geel
jejun/jejunum, nuchtere darm: middelste deel van de dunne darm
junct/voegen, verbinding
juxta/naburig, naast, verwant met, buiten ... om
kal/kalium
karyo/(cel)kern
kel/tumor, vezelachtige groei
kerat/hoornvlies van het oog: het voorste doorzichtig deel van de harde oogrok
ket/, keton/ketonen, aceton
kines/, kinesi/, /kinesie, /kinesisbeweging
klept/stelen
koba/bolvormig, ronde
koil/hol, concaaf, depressief
kraur/droog
kwali/ kwaliteit, karakteristiek
kyf/, kyph/bultrug
kym/golven
labi/lip, schaamlip
lacrim/traan, traankanaal
lact/melk
lal/, /lalie, /laliaspraak, brabbelen
lamin/lamina
lampr/helder
lapar/buikwand, buik
laryng/strottenhoofd
later/zijde
lecith/dooier, eicel
lei/glad
leiomy/gladde (viscerale) spier
lent/lens, vlek: ovaalvormig orgaantje voor de beeldvorming
lepid/plaques, schalen
lepr/lepra
leth/dood
lex/woord, uitdrukking
lien/milt
ligament/ligament
ligat/binding, binden
lim/honger
lingu/tong
lip/, lip/vet, lipide
lith/steen, calculus
lob/kwab
log/studie
logad/het oogwit
lumb/onderrug, lende
lumin/licht
lux/schuiven
ly/lossen, los
lymf/, lymfe/, lymph/lymfe
lymfaden/lymfeklier (knooppunt)
malleol/malleolus (enkel)
mama/borst
man/hand, handen
mandibul/onderkaak
mast/, mamm/borst, tepel
mastoid/processus mastoideus (achter het oor)
maxill/bovenkaak
mediastin/mediastinum
medic/genezen, het helen
medull/merg (beenmerg, ruggenmerg, niermerg, bijniermerg)
mel/lidmaat, lidmaten
men/maand, menstruatie
mening/membraan, omhulsel, hersen- en, of ruggenmergvliezen
ment/kin, geest, ziel
mer/deel
metatars/middenvoetsbeentjes (voet botten)
methode/procedure, techniek
metr/, metri/baarmoeder
metr/meten
mogi/ moeilijk
morb/aandoening, ziekte(toestand) (onbepaald)
morf/, /morf vorm
mort/dood, lijk
muc/, muk/, mucin/slijm
mucos/slijmvliezen
muscul/spier
mut/genetische verandering
my/, myos/spier
myc/, myco/, mycet/schimmel
myel/ merg (beenmerg, ruggenmerg, niermerg, bijniermerg)
myocardi/myocard (hartspier)
myom/spiertumor
myos/spier
myring/trommelvlies (oor)
myx/slijm
narc/, narco/gevoelloosheid, algehele verdoving, slapen
nas/neus
nat/geboorte
natr/natrium
necr/dood, lijk
nect/binden, stropdas, sluiten
nefr/, nephr/nier
neo/nieuw
nery/, neur/zenuw(cel)
neutr/noch, neutrale, neutrofielen
nid/nest
noci/ veroorzaakt schade, letsel of pijn
nomen/naam
norm/regel, wet, bestellen
nos/ziekte
not/nacht
nucle/(cel)kern
nutri/, nutrit/voeden
nyct/nacht
o/ei
obes/vet
obstetr/zwangerschap, geboorte
octa/, octi/acht
ocul/, oculooog, ogen
odonttand
odyn/pijn
oesofag/, oesophag/slokdarm
ole/olie
olecran/olecranon (elleboog)
om/schouder
omfal/, omphal/navel
onych/nagel (vingers of tenen)
oö/, oönei(cel)
oöfor/, oophor/eierstok
op/, ops/, opt/, /opsie, /opiezicht, kijken, (het) zien
ophry/wenkbrauw
or/(mond)holte
orbit/oogkas
orch/, orchi/, orchid/, orchidee/teelbal, testikel
os, oste/, oss/(onder)been, bot, beenweefsel
osche/scrotum
osphresi/reukvermogen
ossicu/beentje, botje
oste/, oss/(onder)been, bot, beenweefsel
ot/oor
oul/tandvlees
ov/, ovul/ei(cel)
ovari/eierstok
ox/zuurstof
oxy/zuur
palat/(harde) gehemelte
pali/herhaling
palliat/kalmeren, verlichten
palp/, palpat/ zachtjes aanraken
palpebr/ooglid
palpit/kloppend
pancreat/alvleesklier, pancreas
papill/papil: plaats waar de oogzenuw het oog verlaat (blinde vlek)
papul/papule, puistje
parasit/parasiet
parathyroïd /bijschildklieren
pariët/wand
patell/knieschijf
pect/, pector/borst, borstkas
ped/, peda/, pedo/kind, voet
pedi/voet
pedicul/luis
pelv/bekken
pend/hangen
peps/, /pepsie, /pepsia(spijs)vertering
perine/perineum
peritone/buikvlies
perone/fibula (kuitbeen)
perspir/ademen door
petr/rots(blok), steen (slaapbeen)
picr/bitter
pies/i, /piesisdruk
pil/haar
pimel/vet, vettig
pin/drinken
pituitar/hypofyse
plan/vlakte, zwerven
plant/zool van de voet
plas/ontwikkeling, vorming
pleur/borstvlies
plex/plexus, netwerk (zenuwen)
pneum/, pneumonlong, lucht, gas-
pneumat/lucht
pod/voet
poliep/poliep, kleine groei
polio/ grijze stof (hersenen of ruggenmerg)
pont/pons (een deel van de hersenen)
por/, /poreopening, doorgang
presby/ouderdom
proct/aars (natuurlijke opening van de endeldarm naar buiten)
prosop/gezicht
prostat/prostaat, voorstaanderklier
prote/eiwit
prurit/jeuk
psamm/zand, zandachtig materiaal
psor/jeuk
psych/geest, ziel
psychr/koud
pty/, ptyal/speeksel
pub/schaambeen (voorste deel van heupbeen)
pulmon/long(en)
puls/, pulsat/verslaan, slaan
pupill/pupil: beweeglijke opening in regenboogvlies van het oog
purul/pus, etter
py/pus, etter
pyel/nierbekken
pylor/maaguitgang, poortwachter
pyr/, pyret/, pyrex/vuur, hitte, koorts
quer/ zoeken
quercin/eiken
rachi/ruggengraat, wervelkolom
radi/straal, röntgenstralen, radioactiviteit, radius (spaakbeen)
radic//wortel
radicul/zenuwwortel
rect/rectum, endeldarm
ren/nier
respir/adem
resuscit/ doen herleven
retin/retina, netvlies
rhabd/staaf
rhabdomy/dwarsgestreepte (skelet)spieren
rhe/stroom
rheumat/waterige stroom
rhiz/wortel
rhythm/ritme
rin/, rhin/neus
röntgen/röntgenstralen
rot/, rota/zijn beurt, draaien
sacchar/suiker
sacr/sacrum, heilig
salping/eileider
sangu/bloed
sanit/gezondheid
sapr/rot, verval
sarc/vlees (bindweefsel)
scapul/schouderblad
schis/, schist/, schiz/, /schisissplit, gespleten, splijten, splitsen
scint/vonk
scler/sclera, harde oogrok (wit van het oog)
scolec/worm
scot/duisternis
scrot/balzak: daarin zitten de testes; hangt naast de penis
seb/talg
semin/sperma, zaad
sept/, septic/, septik/besmetting
ser/serum, sereus
sial/speeksel
sialaden/speekselklier
sider/ijzer
sigmoid/s-vormige deel (laatste deel) van de dikke darm
sil/glas
skelet/skelet
sol/zon, met betrekking tot de zon
solid/verankering, vasthechten, fixeren, bevestigen, verstevigen, vasthechting
som/, soom/, somat/lichaam(pje)
spectr/afbeelding, spectrum
sperma/, spermat/spermatozoa, zaadcellen
sphen/wig, wiggenbeen
spin/ruggengraat, wervelkolom
spir/ademen
splanchn/ingewanden (inwendige organen)
splen/milt
spondyl/wervel
squam/schaal
stafyl/clusters, druif, druiventros
staped/stijgbeugel
stas/, stasis, /stase, stat/inhibitie, inhiberen, stoppen, belemmeren, beletten, (af)remmen, ophouden, remming, verhinderen, onderdrukken
steat/vet, talg
sten/kleiner geworden, ingesnoerd
ster/stevige structuur, steroïde
stereos/vast, vastzittend, vasthoudend
steril/vrij van ziektekiemen (steriel, kiemvrijheid, onvruchtbaarheid, steriliteit, zonder rotting)
stern/, sternumborstbeen
steth/borst
stich/rijen
stigmat/mark, punt
stomat/mond
strept/gedraaide ketens
styl/paal, staak
submaxill/onderkaak
succ/sap
sud/zweet
synaps/, synapt/aanspreekpunt, om toe te treden
syncop/afsnijden, kort knippen, flauw
syndesm/ligament
synov/synovia, synoviale membraan, schede rond een pees
syring/buis
systol/krimp
tal/talud
tars/enkel
tax/orde, coördinatie
techn/vaardigheid, kunst
tefr/, tephr/grijs (grauw)
tempor/slaapstreek
ten/, tenont/, tendin/pees
tens/gestrekt, gespannen
terat/monster, misvormde foetus
test/, testis, testic/teelbal, testikel
tetan/tetanus (bacteriële infectieziekte met verstijvende krampen door besmetting met bacterie die (meestal) via de grond in wonden terechtkomt)
thalam/thalamus
thalass/zee
thanas/, thanat/dood, lijk
thec/schede
thel/tepel
therapeut/behandeling
therm/warm, warmte
thorac/borstkas
thromb/stolsel
thym/thymus
thyr/schildklier, schild
thyroid/schildklier
tibi/tibia (scheenbeen)
toc/arbeid, bevalling, baring, geboorte
tol/ruggengraat (backbone)
tom/, /tomie /toom(in)snijden, insnede, snede, segment, insnijding, chirurgische opening
ton/, /toon, /toniedruk, spanning
tone/rekken
tonsill/tonsillen
tox/, toxic/gif, vergif
trache/luchtpijp
traumat/trauma, verwonding, wond
trem/, tremul/schudden, beven
tri/, trich/haar, haren
trigon/trigonum (gebied binnen de blaas)
trof/, troph/, /trofie, /trophiegroei, voeden, voedingstoestand, voeding, ontwikkeling, dikte, gezwollen toestand
tromb/bloedstolsel, -stolling, klonter
trop/wenden
tumesc/, /tumescencezwelling
tympan/trommelvlies, middenoor
typhl/blindedarm, blindheid
ul/litteken, littekens
uln/ellepijp
umbilic/navel
ungu/nagel
ur/, urin/, /urie, /uresis/, /uriaurine, het urineren
uran/gehemelte
ureter/urineleider(s), verbinding tussen nier en blaas
uretr/, urethr/urinebuis, urineerbuis, plasbuis
uter/baarmoeder
uve/uvea, vasculaire laag van het oog (iris, choroid, corpus ciliare)
uvul/huig
vaccin/vaccin
vagin/de vagina
valv/, valvul/klep
varic/spataderen
vas/, vascul/, angi/bloedvat, bloedvaten, vat, vaten
vas/bloedvat, koker, zaadleiders
ven/ader(en)
vener/geslachtsziekte (seksueel contact)
ventil/beluchten, oxygenatie
ventr/buikzijde van het lichaam
ventricul/maag, ventrikel (van hart of de hersenen)
venul/adertje
verm/, vermi/worm
verruc/wrat
vers/, /versedraaien
vertebrwervel
vesic/blaas, urineblaas
vesicul/zaadblaasjes
vestibul/vestibule van het binnenoor
vir/virus
viscer/ingewanden, interne organen
vit/, viv/leven
vitr/glasachtig lichaam (van het oog)
vitre/glas
voc/stem
volv/, volut/rollen
vulv/vulva
xylo/ hout
yalosglas
ydorwater
zeo/kook
zinco/met betrekking tot of die het element zink
zo/, zoö/, zoöndier, levend wezen, dierlijk leven
zoom/bloed
zoon/geluid
zyg/unie, verbinding, paar, juk, samengebonden
zym/enzym, fermenteren

Suffixen

Deze termen kan je achter een prefix of stam plakken.

TermVerklaring
/a betreffend, van, met betrekking tot, behorend tot, veroorzaakt door (achtervoegsel)
/aalbetreffend, van, met betrekking tot, behorend tot, veroorzaakt door (achtervoegsel)
/acbetrekking tot
/acusisgehoor
/adrichting
/afereseverwijdering, onttrekking
/agogueproduceerder, leider
/agogummet betrekking tot uitdrijvend middel, teweegbrengend middel
/agonin elkaar zetten, monteren, verzamelen
/agraovermatige of hevige pijn
/airbetreffend, van, met betrekking tot, behorend tot, veroorzaakt door (achtervoegsel)
/albetreffend, van, met betrekking tot, behorend tot, veroorzaakt door (achtervoegsel)
/algie, /algesie, /algia, /algesia(gevoeligheid voor) pijn
/alisbetreffend, van, met betrekking tot, behorend tot, veroorzaakt door (achtervoegsel)
/aminestikstofverbinding
/ans, /antiamet betrekking tot werkzaam middel
/armet betrekking tot
/archebegin
/arie, /arybetrekking hebben op
/arisbetreffend, van, met betrekking tot, behorend tot, veroorzaakt door (achtervoegsel)
/artresie, /artresiasluiting, occlusie
/artrie, /arthrie, /arthriaarticuleren (duidelijk spreken)
/ase, /asisduidt de aanwezigheid van iets aan, uitgang van de naam van een enzym
/assaytoetsen, onderzoeken, analyseren
/asthenie, /astheniagebrek aan kracht
/atie, /ationproces, staat
/baardruk(king), deuking
/basiewandelen, lopen
/bilis, /bil, /bel-baar, -zaam, -ig, -lijk, mogelijkheid tot ..., geneigd tot ...
/blast/kiem(cel), moedercel, embryonale cel, onvolwassen cel
/blastoma, /blastoomonvolwassen tumor (cellen)
/capniakooldioxide
/cardietoestand van het hart
/catafasiebevestiging
/cathisie, /kathisiezitten
/cefalietoestand van de hersenschedel
/centesechirurgische punctie, chirurgisch doorprikken van de wand van een met vloeistof gevulde holte
/ceptor ontvanger
/chalasie, /chalasiaontspanning
/cheiliemet betrekking tot de lippen
/chroiahuid kleuring
/cidalmet betrekking tot het doden
/cied, /cidedoden, dodende werking
/cisie(in)snijden, insnede, snede, segment, insnijding, chirurgische opening
/clast, /clasismet betrekking tot breking
/clyse, /clysisirrigatie, het wassen
/coccuskettingkok, kogelronde in rijen liggende bacterie
/coele, /cele, /kèleeen met huid bedekte uitpuiling, uitstulping, hernia, breuk
/coimese, /coimesisslapen
/comadiepe slaap
/coniosevol stof
/constrictievernauwing
/corietoestand van de pupillen
/crinescheiden
/culum, /ula, /ulus, /ulumverkleinwoord
/cusisgehoor
/cut/, cutan/huid, laag
/cyesiszwangerschap
/cyt, /cytecel
/cytose, /cytosistoestand van de cellen, lichte toename van het aantal
/dermahuid
/dermietoestand van de huid
/dese, /desis, desm/operatieve verstijving, operatief vastmaken, operatief onbeweeglijk maken, samenbinden
/dilatie, /dilationverbreding, strekken, uitbreiden
/dotegeven
/droom, /dromelopen
/ductbewegen, beweging, trekken, leiden, voeren
/dynie, /odyniepijn
/ealbetrekking hebben op
/ectasie, /ectasisdilatatie, verwijding, uitzetting van een orgaan
/ectomievolledige operatieve verwijdering, wegneming
/edema, /oedeemzwelling
/elasmavlakke plaat
/em/bloed
/emaconditie
/emese, /emesisbraken
/emietoestand van het bloed
/emphraxisstilstand, obstructie
/erdegene die
/ese, /esisgeeft een toestand aan of duidt een handeling aan, werkwijze, actie, staat, staat van
/esthesiegevoel, tastzin
/eurysmverbreding
/facientveroorzaken, laten gebeuren
/fag, /fagie, /faageten, slikken
/ferentvoeren
/ficationproces van het maken
/fidasplit
/fob, /fobie, /phobvrees, (angst)gevoel
/fonie, /phoniestem, geluid
/for/, /phor/dragen
/foratboren
/formisvormig
/fren, phrèngeestesvermogen
/frenietoestand van de geest
/fusiegieten, samenkomen, samenvoegen
/fylaxis, /phalyxisbescherming
/gen, /geenveroorzakend, voortkomend uit, stof die produceert
/genese, /genesis, /genesieformatie, evolutie, vorming, oorsprong, ontwikkeling, verwekken, ontstaan, vormen, bouwen, maken
/genischgeproduceerd door of in
/gnose, gnosisleer, specialisme, kennis, weten, wetenschap
/graafproces van opname, instrument voor het opnemen
/gradegaan
/grafie, /graphieschrijven, aantekenen, registratie, vastlegging, afbeelding
/gramafbeelding, opname
/gravidazwangere vrouw
/helminthworm
/hes/kleven, plakken, hechten
/hexiagewoonte
/iacbetrekking hebben op
/iase, /iasis, /ieaandoening, ziekte, abnormale toestand (meestal bepaald)
/iatriegeneeskunde, geneeskunst
/ic, /icalbetrekking hebben op
/icleklein
/iegeeft een toestand aan of duidt een handeling aan, werkwijze
/in, /ineeen stof
/inebetrekking hebben op
/iorbetrekking hebben op
/ismus, /ismeaandoening, ziekte, abnormale toestand (meestal bepaald)
/istspecialist
/itas-iteit, baarheid, schap (de eigenschap van ...)
/itisontsteking
/itusgaan, gang
/iumstructuur, zakdoek
/labileinstabiel, bederfelijke
/lal, /laliespreken, spraak, praten
/lapseglijden, vallen
/lemmaschede, bedekking
/lepsie, /lepsyinbeslagneming
/lepticgrijpen
/lexie, /lexiawoord, uitdrukking
/liet, lith/, /lithsteen
/lipsisweglaten, mislukken
/lithotomieincisie (voor het verwijderen) van een steen
/logiestudie (proces)
/logistspecialist
/loog, /logie, logosleer, specialisme, kennis, weten, wetenschap
/lucentom te schitteren
/lyse, /lysis, /lytischafbraak, verwoesting, losmaken, ontbinden, oplossing, oplossen, loslaten, wegnemen
/lyticum, /lyticamet betrekking tot het oplossen, het doen verdwijnen
/malac/, /malacieverweking, week(heid)
/maniedrang, opwinding, overdrijving, toestand van onbeheersbare neiging, ziekelijke neiging, abnormale neiging
/masesiekauwen, kauwen
/mastietoestand van de borst, tepel
/megalietoestand van vergroting of te groot zijn, uitbreiding
/metermaatregel
/metriemeting
/mimesis, /mimeticimitatie, simulatie
/mimeticummet betrekking tot een stof die een werking nabootst
/missie, /missionsturen
/mneherinneren
/mnesie, /mnesiageheugen
/mortemdood
/motor, motor/bewegen, beweging, trekken, leiden, voeren
/myces, /mycosemet betrekking tot een schimmel (= mykes)
/noiageest, wil
/nomiewet, regel
/ofiemand die
/oftalm, /oftalmie, /oftalmus, /ophth,met betrekking tot het oog, de oogheelkunde
/oid, /oïd, /oïdes-achtig, (ge)lijkend op, betekent
/oleweinig, klein
/olisthesisafglijding
/oom, /omagezwel, zwelling, gezwelvorming: ongecontroleerde groei van cellen, tumor, massa, vochtophoping
/orexieeetlust
/ose, /osisaandoening, ziekte, abnormale toestand (meestal bepaald)
/osevol, met betrekking tot, suiker
/osmiegeur
/ostose, /ostosisaandoening van het bot
/osus, /eusrijk aan
/otieooraandoening
/ousbetrekking hebben op
/oxiezuurstof
/paat, /path, /pathie, path/aandoening, ziekte(toestand) (onbepaald)
/pagussiamese tweeling
/parabaren
/parese, /paresiszwakte
/pareunie, /pareuniageslachtsgemeenschap
/parousdragen, voortbrengen
/partumgeboorte, arbeid
/pathieziekte, emotie
/pediebehandelen, behandeling, genezen, genezing, verzorgen, verzorging
/peniegebrek (aan), tekort, te weinig, deficiëntie
/pexieverankering, vasthechten, fixeren, bevestigen, verstevigen, vasthechting (van een omlaag gezakt orgaan)
/phthisiswegkwijnen
/physisom te groeien
/plakie, /plakiaplaque
/plasmformatie, structuur
/plasmavorming van de weefsels
/plasticmet betrekking tot de vorming
/plastiek, /plastie, /plastie, /plastyformatie, evolutie, vorming, oorsprong, ontwikkeling, verwekken, ontstaan, vormen, bouwen, maken, chirurgische reparatie
/plegie, /plegia, /plegicverlamming van grotere lichaamsdelen
/pnea, /pnoeademhaling, adem(en), uitwasemen
/poiese, /poiesisformatie, evolutie, vorming, oorsprong, ontwikkeling, verwekken, ontstaan, vormen, bouwen, maken
/poietinstof die iets vormt
/porose, /porosistoestand van de poriën
/posie, /posiadrinken
/prandialmaaltijd
/praxie, /praxiaactie
/pressiedruk(king), deuking
/prive, /priviegebrek (aan), tekort, te weinig, deficiëntie
/ptose, /ptosisuitsteken, val, uitzakking van een orgaan (binnen het lichaam), neervallen van b.v. een ooglid
/ptysie, /ptysisspuwen, spugen
/punctie, punctioaanprikking, prik
/rafie, /raphie, rrhafiehechting (naad), naaien (van een wond), hechtdraad
/resectieoperatieve verwijdering van een deel van een orgaan, gewricht of zenuw
/rexiescheuring, breking, breuk
/ritmieregelmaat
/rragie, /rraghie, /rrhage(bloed)uitstorting, sterke vloed, onstuitbaar vloeien, uitbreking
/rroe, /rree, /rheesterke afscheiding, stroom, vloed, vloeien
/ruptuur, /ruptscheuring, breking, breuk
/salpinxeileider
/sclerose, /sclerose(toestand van) verharding
/scoopbuis om inwendig te bekijken, onderzoeken
/scopieinwendig bekijken, onderzoeken
/sectie(in)snijden, insnede, snede, segment, insnijding, chirurgische opening
/sepsisverrotting
/sisstaat, toestand
/somelichaam
/somnie, /somnia, somn/, /somnslaap
/spadie, /spadiascheuren, besnoeiing
/spasm, /spasmekramp, plotselinge samentrekking van de spieren
/spirat/ademhaling, adem(en), uitwasemen
/stabil, /stabilestabiel, vast
/stalsiscontractie
/stasis, /static, /stasestoppen, controleren, regelen, plaatsen
/stenose, /stenosisvernauwen, vernauwing
/sthenie, /stheniasterkte
/stitialinstellen, met betrekking tot staand of gepositioneerd
/stomie, /stomiatoestand van de mond
/stomienieuw gemaakte opening, kunstmatige opening, uitmonding
/strictuurvernauwing van buisvormige organen ten gevolge van littekenweefsel na bijvoorbeeld een ontsteking of door hyperplasie
/stromasteunweefsel van een orgaan
/suppressie, /suppressionom te stoppen
/taxismet betrekking tot de juiste plaats, het in orde brengen, ordening, de juiste ligging
/tensie, /tensiondruk, bloeddruk
/thanasiehet sterven
/therap, /therapiebehandelen, behandeling, genezen, genezing, verzorgen, verzorging
/thermieverwarming
/thoraxborst, borstholte
/thymicmet betrekking tot het achterhoofd
/thymie, /thymiageest (toestand van de)
/ticbetrekking hebben op
/toc, /tocinarbeid, geboorte
/tomieproces van het snijden
/toominstrument om te snijden
/tresie, /tresiaopening
/tripsie, /tripsyverbrijzeling, verbrijzelen, verpletteren
/trofievoeding, ontwikkeling (voorwaarde)
/troopgericht naar, affiniteit voor
/tropicdraaien
/tropinstimuleren, handelen
/typeindeling, beeld
/uleweinig, klein
/umstructuur, zakdoek, ding
/usstructuur, ding
/versedraaien
/versiegedraaid
/volemie, /volemiabloedvolume
/vormdie lijkt, in de vorm van
/wardrichting
/yneeindigend voor alkynen
/zymeenzym
© 2016 - 2018 Miske, het auteursrecht (tenzij anders vermeld) van dit artikel ligt bij de infoteur. Zonder toestemming van de infoteur is vermenigvuldiging verboden. Deze informatie is van informatieve aard en geen vervanging voor professioneel medisch advies. Raadpleeg bij medische problemen en/of vragen altijd een arts.
Gerelateerde artikelen
Medische Terminologie, medische termen hoe zit het in elkaarMedische Terminologie, medische termen hoe zit het in elkaarEen artikel over medische termen, wat bedoelen ze met de latijnse woorden? Een uit meerder delen bestaand stuk over deze…
Medische terminologie - VoorvoegselsMedische terminologie - VoorvoegselsIn de medische wereld wordt veelal gebruik gemaakt van medische termen. Vooral door fysiotherapeuten, artsen, podotherap…
Prefixen, zoals vastgelegd in het SI-stelselPrefixen, zoals vastgelegd in het SI-stelselInternationaal worden steeds meer dezelfde basismaten gebruikt. Dat is prettig, het maakt de onderlinge communicatie een…
Morfologie (taalkunde) - samenstelling van woordenMorfologie (taalkunde) - samenstelling van woordenMorfologie is een deeldiscipline binnen de taalkunde. Het is eigenlijk de discipline die het diepst in gaat op de taal.…
Medische terminologie - AchtervoegselsMedische terminologie - AchtervoegselsNet als voorvoegsels en stamwoorden hebben achtervoegsels als kenmerk om iets aan te duiden wat algemeen is voor een bep…
Bronnen en referenties
  • Inleidingsfoto: DarkoStojanovic, Pixabay
  • 2.10: Medical Terminology and Human Anatomy, http://www.medicalbillingandcoding.org/human-anatomy-medical-terminology/, geraadpleegd op 11 mei 2016
  • Etymologie van de medische terminologie, Julien Fonck, Acco Leuven / Voorburg, twaalfde druk: 2008, ISBN: 978-90-334-0400-9, digitale editie dus geen paginanummers beschikbaar
  • Latin for you, http://latinforyou.webs.com/medicalterminology.htm, geraadpleegd op 11 mei 2016
  • Medical TERMINOLOGY - A thru Z, http://www.globalrph.com/medterm.htm, geraadpleegd op 11 mei 2016
  • Medische Terminologie, opleiding Medical Management Assistant, Thomas More Turnhout, 2011-2012, Dr. Hilde Vandenhoudt, digitale cursus dus paginanummer onbekend

Reageer op het artikel "Medische terminologie: Prefixen, stammen en suffixen"

Plaats als eerste een reactie, vraag of opmerking bij dit artikel. Reacties moeten voldoen aan de huisregels van InfoNu.
Meld mij aan voor de tweewekelijkse InfoNu nieuwsbrief
Ik ga akkoord met de privacyverklaring en ben bekend met de inhoud hiervan
Infoteur: Miske
Laatste update: 05-06-2018
Rubriek: Mens en Gezondheid
Subrubriek: Diversen
Bronnen en referenties: 6
Medische informatie…
Deze informatie is van informatieve aard en geen vervanging voor professioneel medisch advies. Raadpleeg bij medische problemen en/of vragen altijd een arts.
Schrijf mee!